Weerstandsvermogen en risicobeheersing

Doelstelling

De paragraaf Weerstandsvermogen en risicobeheersing geeft inzicht in de mate waarin de gemeente in staat is om niet-begrote kosten te dekken. Door de beschikbaarheid van weerstandsvermogen hoeft bij een financiële tegenvaller in de begrotingsuitvoering niet direct tot een bezuiniging te worden overgegaan.

Het weerstandsvermogen bestaat uit de relatie tussen:

A. De weerstandscapaciteit, zijnde de middelen en mogelijkheden waarover de gemeente beschikt of kan beschikken om niet-begrote kosten te dekken.

B. Alle risico’s waarvoor geen maatregelen zijn getroffen en die van materiële betekenis kunnen zijn in relatie tot de financiële positie.

In deze paragraaf zetten we eerst de beschikbare weerstandscapaciteit uiteen en daarna de risico’s en het hiervoor benodigd weerstandsvermogen. Beide onderdelen worden vervolgens tegen elkaar afgezet.

Omvang weerstandscapaciteit

Tot de weerstandscapaciteit worden de post onvoorzien, reserves , stille reserves en de onbenutte belastingcapaciteit gerekend. In het onderstaande overzicht staan de afzonderlijke onderdelen beschreven. Hierbij staat aangegeven of en voor hoeveel deze onderdelen bijdragen aan de beschikbare weerstandscapaciteit.

Overzicht beschikbare weerstandscapaciteit (bedragen maal € 1.000)

Onderdeel/Omvang/Duiding

Bedrag

(x € 1.000)

Onderdeel: Algemene reserve (incidenteel)

Omvang: € 63.649

Duiding: De omvang van de reserves moet worden gezien in relatie tot de totale balanspositie: reserves vormen geen vrij besteedbaar ‘potje’, maar zijn onderdeel van het verschil tussen bezittingen en verplichtingen. De algemene reserve is de belangrijkste vrij inzetbare buffer voor het opvangen van financiële tegenvallers. Aanwending van deze reserve vermindert direct de financiële weerbaarheid van de gemeente en vergroot – door de lagere vermogenspositie – de toekomstige schuldquote en financieringsbehoefte.

€ 63.649

Onderdeel: Bestemmingsreserves (incidenteel)

Omvang: Circa € 48.741
Duiding: Bestemmingsreserves kunnen in principe bijdragen aan de afdekking van risico’s, maar zijn door de raad gekoppeld aan specifieke bestedingsdoelen. Deze middelen zijn daarmee volledig geprogrammeerd en niet vrij beschikbaar voor het opvangen van financiële tegenvallers. Omdat inzet van bestemmingsreserves direct ten koste gaat van de realisatie van deze bestuurlijke doelen, worden zij niet meegerekend als onderdeel van de vrij beschikbare weerstandscapaciteit.

€ 0

Onderdeel: Stille reserves (incidenteel)

Omvang: € 5.200

Duiding: De stille reserves bestaan uit gemeentelijke panden, gronden en overige activa waarvoor bij verkoop mogelijk een boekwinst kan worden gerealiseerd. Omdat deze bezittingen veelal in gebruik zijn voor de uitvoering van gemeentelijke taken en niet op korte termijn beschikbaar of verkoopbaar zijn, worden zij niet tot de beschikbare weerstandscapaciteit gerekend. Daarnaast beschikt de gemeente over aandelen in BNG, Alliander en HVC. De werkelijke waarde van deze deelnemingen ligt hoger dan de nominale waarde die volgens het BBV in de balans is opgenomen. Deze aandelen zijn echter niet vrij verhandelbaar, waardoor de waarde ervan niet kan worden verzilverd voor algemene financiële inzet. Bovendien ontvangt de gemeente jaarlijks dividend op deze aandelen. Verkoop zou daarom leiden tot een structurele daling van inkomsten, wat de financiële positie op lange termijn verzwakt. Om deze redenen worden deze deelnemingen niet meegenomen in de bepaling van de beschikbare weerstandscapaciteit.

€ 0

Onderdeel: Onbenutte belastingcapaciteit (structureel)

Omvang: Circa € 11.673

Duiding: De onbenutte belastingcapaciteit betreft het verschil tussen de huidige OZB‑tarieven en het niveau van 120% van het landelijk gemiddelde. Dit vormt in theorie een structurele inkomstenbron die kan worden aangeboord door belastingtarieven te verhogen. Gemeenten worden tot het niveau van 120% in ieder geval niet geconfronteerd met artikel‑12‑toezicht. Ondanks deze potentiële ruimte wordt de onbenutte belastingcapaciteit niet aangemerkt als beschikbare weerstandscapaciteit. Deze beleidsruimte is door de raad nadrukkelijk gereserveerd in het kader van een mogelijke toekomstige taakovername van het wegenbeheer van het hoogheemraadschap (HHNK). Bij overdracht van deze taak zal een verschuiving in belastingheffing plaatsvinden: de huidige wegenheffing van HHNK vervalt voor inwoners, terwijl de OZB‑opbrengst moet worden verhoogd om de gemeentelijke uitvoeringskosten te dekken. Andere heffingen, zoals de afvalstoffenheffing en rioolheffing, zijn volledig kostendekkend en kennen daarom geen structurele onbenutte belastingcapaciteit.

€ 0

Onderdeel: Post onvoorzien (structureel)

Omvang: € 50

Duiding: De omvang van de post onvoorzien is in Purmerend bepaald op € 50.000. De post is wettelijk verplicht en dit bedrag is opgenomen in de begroting 2026. Omdat deze post in de meerjarenbegroting op een gelijk niveau wordt gehandhaafd, wordt zij aangemerkt als onderdeel van de structurele weerstandscapaciteit. Conform de gemeentelijke systematiek wordt de post onvoorzien in de berekening van de beschikbare weerstandscapaciteit 2,5 keer meegenomen. Hoewel de omvang van de post beperkt is, draagt zij bij aan het opvangen van kleinere, niet-ramingsbare tegenvallers gedurende het begrotingsjaar.

€ 125

Beschikbare weerstandscapaciteit per 1 januari 2027

€ 63.774

Gelet op de bovenstaande tabel wordt in Purmerend de beschikbare weerstandscapaciteit gelijkgesteld aan de algemene reserve en de post onvoorzien.

Meegenomen financiële risico's

Wat valt er onder risico's en wat niet?

Risico’s zijn er in allerlei soorten en maten. Voor welke risico’s we meenemen, worden de onderstaande vuistregels gebruikt.

Kortingen op algemene en specifieke uitkeringen

Kortingen op algemene (het gemeentefonds) en specifieke uitkeringen worden ingeschat en verwerkt in de begroting. Het weerstandsvermogen is nadrukkelijk niet bedoeld als buffer hiervoor. De gemeentelijke begroting moet hierop inspelen. Dat geldt ook voor risico's betreffende het onvolledig kunnen declareren van uitgaven op specifieke uitkeringsregelingen. Deze risico's kunnen we vooraf inschatten en in de p&c cyclus verwerken.

Kosten die moeten worden voorzien

Voor gebeurtenissen waarvan het zeker is dat ze zich voor gaan doen en waarvan de omvang ook bekend is, worden voorzieningen ingesteld. Bij het weerstandsvermogen kunnen deze kosten derhalve buiten beschouwing worden gelaten.

Rampen en crisis

Voor rampen en crisissituaties geldt dat er een scala aan beheersmaatregelen is getroffen. Dit betreft enerzijds het rampenplan waarmee aangegeven wordt hoe een (dreigende) ramp of crisis te lijf wordt gegaan en anderzijds is er sprake van een verzekerd risico. Voor zover dit niet het geval is zal worden teruggevallen op de Rijksoverheid. Uiteraard kan er sprake zijn van een financieel nadeel voor de gemeente. De omvang hiervan is niet vooraf in te schatten. Voor zover het in de beïnvloedingssfeer ligt van de gemeente wordt via de weg van vergunningen en periodieke toetsing gezorgd voor het minimaliseren van de risico's. Rampen en crises worden niet meegenomen in de risico’s tenzij die voldoende kwantificeerbaar zijn.

Kleine risico's

Voor bepaling van de wenselijke omvang van het weerstandsvermogen hebben we de financiële risico's in kaart gebracht. Bij deze risico's hanteren we een ondergrens van € 100.000. Risico's daaronder lichten we hier verder niet toe, omdat het een lange reeks van kleine risico's betreft.

Daadwerkelijk opgetreden risico’s gedurende het jaar maken onderdeel uit van de jaarrekening en/of tussenrapportages. In de begroting houden wij rekening met de reguliere risico's. Veelal kunnen we deze via een verzekering afdekken. Bij deze risico’s geldt dat we kunnen inschatten of het risico zich daadwerkelijk zal manifesteren en de omvang van het risico.

Om de risico’s op te vangen, zijn verschillende maatregelen mogelijk:

  • Bijstelling van de geldende beleidskaders, hierdoor kunnen we de uitvoeringskosten beperken. Dit kan bijvoorbeeld door de grenzen te verhogen waarboven de gemeente een bijdrage verleent.

  • Inkomstenverhogende maatregelen nemen wanneer risico’s zich manifesteren op onderdelen met kostendekkende dienstverlening.

  • Frequent(er) toetsen of het risico zich al voordoet en zo goed mogelijk maatregelen treffen ter beheersing van onzekerheden. Deze maatregel kunnen we inzetten op die onderdelen waarvan de gemeente de uitkomst niet kan sturen, maar waarvan we de uitkomsten wel kunnen volgen. Doel van de maatregel is dan om te voorkomen dat 'ongemerkt' de begroting en de werkelijkheid uiteen groeien en er nadelen optreden.

In de bepaling van het benodigde weerstandsvermogen is niet afgewogen of alle risico's zich gelijktijdig kunnen en zullen voordoen. De risico's zijn daarom opgeteld. Zodra risico's zich daadwerkelijk voordoen wegen we af of we structurele maatregelen moeten nemen.

Benodigd weerstandsvermogen

In onderstaande tabel staan de actuele risico-onderwerpen en is aangegeven of we voor dit onderwerp rekening houden met benodigd weerstandsvermogen. Als er sprake is van een structureel risico wordt dit vermenigvuldigd met 2,5 om het zo te kunnen afzetten tegen de weerstandscapaciteit (Conform de werkwijze van het Nederlands Adviesbureau voor Risicomanagement (Naris). Ook staat hier welke beheersmaatregel we kunnen inzetten om het risico zoveel mogelijk te verkleinen of uit te schakelen. In de omschrijving is het toegelicht als de huidige inschatting afwijkt van de inschatting in de begroting.

Onderwerp/omschrijving/beheersmaatregel

Bedrag

(x € 1.000)

Onderwerp: Algemene spoedbuffer (structureel)
Omschrijving:
De afgelopen jaren is de algemene reserve herhaaldelijk ingezet voor voorfinanciering van landelijke regelingen (o.a. COVID‑19, opvang Oekraïense vluchtelingen, energietoeslag). De huidige geopolitieke onzekerheden, waaronder de spanningen rond Iran, kunnen opnieuw leiden tot hogere kosten, stijgende energieprijzen en aanvullende Rijksregelingen die gemeenten tijdelijk moeten voorfinancieren. Daarom houden wij een minimale buffer van 1% van de gemiddelde begrote lasten aan, zodat de gemeente financiële schokken adequaat kan opvangen.
Beheersmaatregel: Er worden geen aparte beheersmaatregelen ingezet. Dit risico en risicobedrag is gewijzigd ten opzichte van de jaarrekening 2025 en de begroting 2026.

€ 4.539

Onderwerp: Wmo, Jeugdwet en Participatiewet

Omschrijving: Binnen het maatschappelijk domein biedt Purmerend hulp vanuit de Jeugdwet, Participatiewet en de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Voor het maatschappelijk domein gelden binnen deze beleidskaders onzekerheden aan zowel de uitgaven- als de inkomstenkant. Het betreffen openeinderegelingen waarbij de uitgaven niet altijd beheersbaar zijn. Binnen Participatie geldt daarnaast dat de uitgaven conjunctuurgevoelig zijn. Tenslotte geldt dat de middelen die het Rijk op lange termijn beschikbaar stelt aan gemeenten voor deze taken ter discussie staan en dat zorgt voor onzekerheden aan de inkomstenkant. Gemeenten moeten uiteraard anticiperen op deze ontwikkelingen, maar op jaarbasis kan er sprake zijn van aanzienlijke financiële effecten vanwege de omvang van de budgetten. Om die reden is een buffer nodig. Deze buffer is als volgt bepaald:

1. Jeugdwet: De uitgaven voor specialistische jeugdhulp staan onder aanhoudende druk. De kosten nemen toe doordat:

  1. de complexiteit van de zorgvraag stijgt; jeugdigen melden zich vaker met meervoudige en

    zwaardere problematiek;

  2. de duur van zorgtrajecten toeneemt; jeugdigen blijven langer in behandeling;

  3. de intensiteit van zorg groeit; behandelingen worden zwaarder en arbeidsintensiever.

  4. Deze ontwikkeling zorgt ervoor dat het budget voor specialistische jeugdhulp gevoelig is voor relatief kleine afwijkingen in volume of zorgzwaarte. Een beperkte procentuele overschrijding kan daardoor direct leiden tot substantiële financiële tegenvallers. Voor de risicobepaling is uitgegaan van het gemiddelde procentuele tekort over 2024 en 2025 ten opzichte van de begroting 2027 aan. Dit resulteert in een geraamd risico van € 14,5 miljoen. Conform de gemeentelijke systematiek wordt als ondergrens 1% van de jaarrekening 2025 gehanteerd (€ 0,4 miljoen). Gezien de structurele trend van toenemende zorgzwaarte en de gerealiseerde tekorten in de afgelopen jaren, wordt het risico vastgesteld op € 14,5 miljoen.

De financiële kaders voor de jeugdzorg zijn tot en met 2027 op hoofdlijnen vastgelegd in afspraken tussen Rijk en VNG. Voor de periode daarna blijft echter sprake van onzekerheid over de structurele financiering en de verdeling van financiële risico’s. De deskundigencommissie Van Ark monitort de uitvoering van de Hervormingsagenda en brengt in 2027 een zwaarwegend advies uit dat mede richting geeft aan het financiële kader vanaf 2028. Tegelijkertijd blijkt uit het eerste advies dat de beoogde besparingen nog niet worden gerealiseerd. Daarnaast worden aanvullende beheersmaatregelen voorbereid, zoals sturing op trajectduur en een mogelijke eigen bijdrage. Deze vereisen nog politieke besluitvorming en kennen onzekere financiële effecten vanaf 2028. Dit leidt tot aanhoudende onzekerheid over zowel de omvang van de middelen als de ontwikkeling van de uitgaven in de jeugdzorg.

In de Voorjaarsnota 2025 van het RIjk zijn afspraken gemaakt over het zwaarwegende advies van de Deskundigencommissie Hervormingsagenda Jeugd in 2027 met betrekking tot de kosten die gemeenten maken voor jeugdzorg. Deze afspraken heeft het huidige kabinet in het Overhedenoverleg van 13 april 2026 herbevestigd. In overeenstemming met de aanvullende begrotingscirculaire 2027 van de provincie Noord-Holland zijn in deze begroting stelposten opgenomen voor ontwikkelingen waarvan de financiële effecten nog afhankelijk zijn van nadere landelijke besluitvorming, wetgeving of beleidsuitwerking. Voor deze onderwerpen heeft de toezichthouder expliciet aangegeven budgettair neutrale verwerking toe te staan. De onderbouwing van deze stelposten is opgenomen in de bijlage ‘Overzicht en onderbouwing stelposten’.

De landelijke en regionale krapte op de arbeidsmarkt voor jeugdzorgprofessionals vormt een structureel risico. De beperkte personele beschikbaarheid leidt tot hoge werkdruk, oplopende wachttijden en een beperkte doorstroom. Dit speelt zowel bij zorgaanbieders als bij wettelijke verwijzers (zoals huisartsen en jeugdteams). Capaciteitsdruk aan de voorkant kan ertoe leiden dat problematiek langer blijft liggen en in ernst toeneemt, waardoor bij aanmelding vaker zwaardere en duurdere zorg nodig is. Dit vergroot de kans op verdere capaciteitsproblemen en stijgende kosten. De huidige contracten voor (hoog) specialistische jeugdhulp lopen af per 31 december 2026. Om de continuïteit van zorg te borgen zijn twee aanbestedingen gestart voor een toereikend en stabiel aanbod vanaf 2027. Uitgangspunt is het hanteren van reële en uitvoerbare tarieven, zonder kostenstijging ten opzichte van de huidige contracten, in lijn met landelijke afspraken over een beheersbaar en doelmatig jeugdzorgstelsel.

2. Wmo: De kostenstijging in de Wmo de afgelopen jaren komt met name door salarisstijgingen (inflatiecorrectie) en een krappe arbeidsmarkt. Daarnaast door het uniforme abonnementstarief. Ook hebben we te maken met dubbele vergrijzing en daardoor een toename van (complexere) ondersteuningsaanvragen.

De inkomens- en vermogensafhankelijke bijdrage in de WMO zal naar alle waarschijnlijkheid per 1 januari 2028 worden ingevoerd. Zonder wetswijzigingen of compensatie door het Rijk zal dit tot extra niet begrote uitgaven leiden. Ook hier houden we als risico het gemiddelde procentuele tekort over 2024 en 2025 ten opzichte van de begroting 2027 aan. Dat leidt dit tot een bedrag van € 0,6 miljoen. Als ondergrens wordt 1% van de begroting 2027 aangehouden (€ 0,3 miljoen). In dit geval wordt € 0,6 miljoen opgenomen.

In de meicirculaire 2026 is een uitname uit het gemeentefonds verwerkt als gevolg van het voorgenomen vervallen van huishoudelijke hulp als maatwerkvoorziening binnen de Wmo per 1 januari 2029. Omdat op dit moment nog onvoldoende duidelijk is hoe het voorgestelde vangnet wordt ingericht en wat hiervan de financiële gevolgen zijn voor gemeenten, is vanaf 2029 een stelpost opgenomen ter grootte van de netto-uitname uit het gemeentefonds. Hiermee wordt deze maatregel vooralsnog budgettair neutraal verwerkt. De provincie Noord-Holland staat deze werkwijze voor de begroting 2027 expliciet toe. De onderbouwing van de stelpost is opgenomen in de bijlage ‘Overzicht en onderbouwing stelposten’.

Gedurende 2025 heeft er een aanbesteding plaatsgevonden voor de nieuwe wmo-maatwerkondersteuning. In deze begroting is het effect van deze aanbesteding voor 2026 verwerkt. De te treffen beheersmaatregelen binnen de wmo-maatwerkondersteuning evenals het effect van dubbele vergrijzing en de inkomensafhankelijke eigen bijdrage is nog geen onderdeel van de meerjarenbegroting.

3. Participatiewet: We zien dat deze kosten van begeleiding van mensen die onder de Participatiewet vallen in de praktijk hoger zijn dan waar het rijk zijn budget op baseert. De problematiek van inwoners die onder de Participatiewet vallen zorgt voor behoefte aan steeds intensievere begeleiding. Dit betekent verzwaring van de caseload bij de uitvoering. Als we het risico berekenen op dezelfde manier als Jeugd en Wmo, namelijk het gemiddelde procentuele tekort over 2024 en 2025 ten opzichte van de begroting 2027, dan leidt dit tot een lager bedrag dan dat wij als ondergrens hanteren. Als ondergrens wordt 1% van de begroting 2027 aangehouden (€ 83.000). In dit geval wordt € 83.000 opgenomen.

Beheersmaatregel: Er worden diverse beheersmaatregelen binnen het sociaal domein ingezet, zoals bijvoorbeeld de inzet op preventie bij Jeugd en Wmo. Dit risico en risicobedrag is gewijzigd ten opzichte van de jaarrekening 2025 en de begroting 2026.

€ 15.184

Onderwerp: Asbestsaneringen
Omschrijving: In een aantal gemeentelijke panden, waaronder onderwijsgebouwen, is asbest toegepast. Naar de aanwezigheid van asbest en de mogelijkheden tot sanering doen wij onderzoek. In een aantal gebouwen is het aanwezige asbest geen risico en kan verwijdering alleen gebeuren als bouwkundige werkzaamheden plaatsvinden. Aan te kopen panden worden door een gecertificeerde partij op asbest geïnventariseerd. Als er asbest in een pand wordt geconstateerd dan wordt dit op deskundige wijze geïnventariseerd en wordt sanering overwogen. De begroting wordt hierop aangepast indien nodig. Controle op de aanwezigheid van asbest is alleen vereist bij objecten die voor 1994 zijn gebouwd. Het is lastig te voorspellen wat de omvang van een asbestsanering per situatie is omdat asbestrisico ook afhangt van het gebruik van een bouwwerk of object. Het verwijderen van asbest vergt vrijwel altijd herstelwerkzaamheden, bijvoorbeeld na verwijderen van kozijn-borstwering en vensterbanken. Als stelpost wordt daarom rekening gehouden met € 0,5 miljoen.

Beheersmaatregel: Er worden geen aparte beheersmaatregelen ingezet. Dit risico en risicobedrag is ongewijzigd t.o.v. de jaarrekening 2025 en de begroting 2026.

€ 500

Onderwerp: Proeftuin aardgasvrije wijken
Omschrijving: In het eerste halfjaar van 2026 loopt het project Aardgasvrije wijken ten einde. Na afronding van het project vindt de eindafrekening plaats. Op basis van de nu voorliggende gegevens is hiervoor voldoende budget gereserveerd. SVP heeft het warmteleidingnetwerk reeds aangelegd (zowel het primaire als secondaire net) en de aannemer is op dit moment bezig met het aanbrengen van modificaties achter de voordeur (plaatsen van o.a. de afleverset). Bij deze werkzaamheden hebben zich tot op heden nog geen voorvallen voorgedaan, daarmee wordt het risico op calamiteiten op laag ingeschat. Desondanks is er een kleine kans dat schadeclaims over de uitvoeringswerkzaamheden voor rekening van de gemeente komen. Om inwoners te ontzorgen treedt de gemeente desgevraagd op als opdrachtgever. Dit kan een klein risico geven indien hierdoor schade ontstaat die niet verhaald kan worden op het uitvoerende bedrijf.
Beheersmaatregel: In het project Aardgasvrij is een bloksgewijze aanpak gekozen zodat het risico van een budgetoverschrijding kon worden beheerst. Binnen de ramingen van de verschillende blokken is vanwege onzekerheden (prijsstijgingen en onvoorziene werkzaamheden) rekening gehouden met een post onvoorzien. Het risico op vervolgschade door uitgevoerde werkzaamheden is daar geen onderdeel van. Het huidige budget is voldoende om de eindafrekening te voldoen. Ondanks het beperkte risico op eventuele vervolgschade, wordt voorgesteld om 10% van de uitvoeringskosten Blok 3 toe te voegen aan het weerstandsvermogen tot een jaar na afronding van de werkzaamheden. Dit risico en risicobedrag is ongewijzigd ten opzichte van de jaarrekening 2025 en gewijzigd ten opzichte van de begroting 2026.

€ 215

Onderwerp: Grondexploitaties
Omschrijving: Binnen de grondexploitaties zijn 2 risico's berekend: portefeuille- en projectrisico's. Voor de portefeuillerisico's worden 3 effecten doorgerekend: het effect van 7,5% kostenstijging over de nog geraamde uitgaven, het effect van grondwaarde regulering middelhuur en 2,5% hoger rentepercentage. Deze macro-economische effecten zijn opgeteld € 5,58 miljoen. Daarnaast zijn per grondexploitatie projectspecifieke risico's berekend, totaal € 14,41 miljoen. Projectspecifieke risico Baanstee Noord (0,83 miljoen) wordt niet meegenomen gezien het te verwachten positieve resultaat. Per grondexploitatie wordt dit nader toegelicht in het Meerjaren Programma Grondexploitaties (MPG) 2026.

Beheersmaatregel: Per grondexploitatie zijn specifieke maatregelen genomen om het beslag op het weerstandsvermogen te beperken. Dit risico en risicobedrag is ongewijzigd ten opzichte van de jaarrekening 2025, maar gewijzigd ten opzichte van de begroting 2026.

€ 19.160

Onderwerp: Uitval van kritische applicaties/systemen i.v.m. cyberaanval
Omschrijving: Het risico op schade door een cyberaanval blijft toenemen. Zo is ook terug te zien in het ‘cyber security beeld Nederland’ die jaarlijks wordt uitgebracht door het NCSC (Nationaal Cyber Security Center). Voor overheden is de laatste jaren een trend zichtbaar: Het risico op verstoringen van de ICT door ‘cybervandalen en scriptkiddies’ was al hoog en neemt toe, het risico op verstoringen van de ICT door beroepscriminelen is ongewijzigd hoog. Een cyberincident van enige omvang (bijvoorbeeld ransomware) brengt direct hoge kosten met zich mee. Denk daarbij onder meer aan het opbouwen van een tijdelijke organisatie om de bedrijfsvoering door te kunnen zetten, onderzoek en herstel van de situatie (waaronder wederopbouw van het ICT-landschap) en evalueren en investeren om herhaling te voorkomen. Het bedrag van € 9,5 miljoen is gebaseerd op bedragen in de media van gemeenten die geraakt zijn en gemeenten die bedragen opnemen in hun weerstandsvermogen.
Beheersmaatregel: Gemeenten zijn in 2015 aangesloten bij de Informatiebeveiligingsdienst (IBD) van de VNG. Per 15 augustus 2026 is daarnaast de Cyberbeveiligingswet (CBW) van toepassing verklaard op gemeenten, waarbij de Baseline Informatiebeveiliging Overheid (BIO) wettelijk is vastgesteld als vigerend normenkader, naast de regels uit de CBW. In de BIO staat risicomanagement en het treffen van passende maatregelen centraal. De maatregelen worden, indien van toepassing, doorgevoerd en op eventuele kwetsbaarheidsmeldingen wordt actief en snel gereageerd. In de organisatie worden acties georganiseerd om het bewustzijn rondom cybercriminaliteit binnen de organisatie te verhogen. Ook worden medewerkers actief herinnerd aan de wijze waarop zij veilig moeten werken. Dit risico en risicobedrag is ongewijzigd ten opzichte van de jaarrekening 2025 en de begroting 2026.

€ 9.500

Onderwerp: Wegenbeheer
Omschrijving: In 2017 gaf het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) aan zich volledig te willen focussen op zijn primaire watertaken. Omdat wegbeheer geen wettelijke kerntaak van het waterschap is, wil HHNK de wegen overdragen. Als gevolg wordt een intentieovereenkomst getekend tussen HHNK en verschillende gemeenten, waaronder gemeente Purmerend (destijds deels nog gemeente Beemster). Deze intentieovereenkomst is nadrukkelijk een startdocument voor onderhandeling en juridisch nog geen definitief akkoord tot overdracht. In deze intentieovereenkomst is o.a. een onderzoeksplicht vastgelegd. Dit houdt in dat gezamenlijk wordt verkend of en onder welke specifieke voorwaarden en omstandigheden een wegenoverdracht mogelijk is. Gemeente Purmerend onderscheidt zich samen met de regiogemeenten Waterland, Wormerland, Edam-Volendam en Landsmeer door in gezamenlijkheid met HHNK een uitgangspuntennotitie op te stellen voor het maken van een business case. Deze uitgangspuntennotitie (1581043)is in de gemeente Purmerend vastgesteld in 2023. De business case geeft inzicht in de financiële gevolgen van een wegenoverdracht ter ondersteuning van de uiteindelijke besluitvorming. Veiligheid, kwaliteit en zorgvuldigheid staan daarbij voor gemeente Purmerend voorop, mede gezien de ervaringen van andere gemeenten die ons zijn voorgegaan. Op dit moment zijn we, net als gemeente Waterland, nog in onderhandeling met HHNK over de voorwaarden en omstandigheden waarop een eventuele wegenoverdracht mogelijk is. Naast de wegen gaat het ook om de bijbehorende bomen en overige inrichting. In de Beemster betreft dit een omvangrijk areaal. HHNK betaalt op dit moment het onderhoud van de wegen voor een deel uit de bijdragen van gemeenten en voor een deel uit de wegenheffing die het HHNK in rekening brengt bij de inwoners van de gemeenten waarvoor zij wegen in beheer en eigendom hebben. Per 2025 zijn onderzoeken gestart naar de kwaliteit van de wegen en civiele kunstwerken (bruggen) om de volledige omvang van hetgeen dat HHNK wil overgedragen en de impact/kwaliteit van de over te dragen activa (wegen, bomen en kunstwerken) in beeld te brengen. In 2026 zijn reeds grote stappen gemaakt. Zo zijn er meerdere onderzoeken uitgevoerd en meegenomen in eerste versies van een concept business case. Deze concept business case toont nog een aanzienlijke financiële en kwalitatieve kloof. Dit inzicht is meegenomen in de ambtelijke en bestuurlijke overleggen ter voorbereiding op bestuurlijke besluitvorming. In november 2025 en juni 2026 zijn raadsbijeenkomsten georganiseerd om de gemeenteraad te informeren over de stand van zaken van de wegenoverdracht.
Beheersmaatregel: Gezien de beschreven ervaringen van andere gemeenten willen we dit traject zorgvuldig lopen en willen we de staat en omvang van het areaal vóór de overdracht vaststellen. De komende tijd gaan we verder met zowel een ambtelijke als bestuurlijke voorbereiding op besluitvorming. Zo bekijken we samen met HHNK hoe we de financiële en kwalitatieve kloof gezamenlijk kunnen verkleinen, waarbij we onder andere kijken naar mogelijke handelingsperspectieven en benodigde kwalitatieve maatregelen. Daarnaast zal een onafhankelijke partij de komende tijd uitvoering geven aan een gezamenlijke onderzoeksopdracht door te kijken naar de stabiliteit en steilheid van de taluds van alle polderwegen en eventuele causale verbanden. De uitkomsten van dit onderzoek worden meegenomen in zowel de ambtelijke als de bestuurlijke onderhandelingen. Hierna volgt een raadsvoorstel. Dan zal duidelijker zijn wat de overname van deze taak gaat betekenen en welke onzekerheden resteren. Overname van deze taak gaat betekenen dat er voor de inwoners een verschuiving van belastingen plaatsvindt. Dit betekent dat de gemeentelijke OZB-opbrengst omhoog moet om de kosten van deze taak te dragen. Daar staat tegenover de wegenheffing die het HHNK in rekening brengt bij inwoners komt te vervallen. Ten aanzien van de verschuiving van de overdracht van de wegenheffing is deze gekoppeld aan de onbenutte belastingcapaciteit. Hierdoor is er voor dit onderdeel niet gerekend met een bedrag in de weerstandscapaciteit. Dit risico is ongewijzigd ten opzichte van de jaarrekening 2025 en de begroting 2026.

€ p.m.

Onderwerp: Loon/prijsstijgingen
Omschrijving: De ontwikkeling van de loonkosten van de gemeenteambtenaren volgt de cao. In 2025 is er een nieuwe cao afgesloten (looptijd april 2025 tot en met maart 2027). Voor de begroting wordt voor de jaren na 2027 vooralsnog een indexatie aangehouden van 3% per jaar voor loonsverhogingen en (pensioen-)premies. De stijging van de loonkosten is afhankelijk van de landelijke cao-afspraken en de wijzigingen in de werkgeverslasten zoals de werkgeversbijdrage in de pensioenpremie. Een afwijking van 1% op de totale loonsom geeft een extra last van ruim € 0,7 miljoen (inclusief gesloten budgetten).

Voor de materiële uitgaven op prijsgevoelige exploitatiebudgetten, die bestaan uit de aanschaf van goederen en de levering van diensten (zoals energiekosten, kantoorartikelen, accountantsdiensten, onderhoud aan gebouwen en infrastructuur, schoonmaak en softwarelicenties), baseren we de indexering op de verwachtingen van het Centraal Planbureau (CPB), zoals vermeld in het Centraal Economisch Plan (CEP) 2025, Prijs netto materiële overheidsconsumptie (IMOC). We reserveren het bedrag voor prijsstijgingen op één verzamelbudget binnen het overzicht van algemene dekkingsmiddelen (centrale stelpost LPO). Als prijsstijgingen contractueel zijn vastgelegd, verhogen we het betreffende budget met dekking vanuit het verzamelbudget. Voor algemene prijsstijgingen wordt een bedrag van € 1 miljoen aangehouden (1 % van € 101 miljoen). Gerekend is met 2,5 keer dit structurele risico (€ 2,5 miljoen).

Voor kredieten geldt als uitgangspunt de raadsmemo (944983). Voor jaargebonden kredieten geldt een piepsysteem (geen standaardindexering). Bij meerjarige kredieten (waarbij de verwachte cashflow van de investering zich over ten minste twee jaar uitstrekt en de omvang meer dan € 1 miljoen bedraagt) wordt geïndexeerd voor vier categorieën: riolering, wegen en kunstwerken, scholen en gymzalen en overig maatschappelijk vastgoed. Deze indexering wordt jaarlijks bij de begroting geactualiseerd.

Sinds 2024 groeit het gemeentefonds mee met het achtjaarlijks gemiddelde van de economische groei, aangevuld met het prijspeilpercentage van het Bruto Binnenlands Product (bpp) voor het betreffende jaar. Dit bbp-percentage blijkt echter onvoldoende om de stijgende kosten te compenseren. De kostenstijgingen in het sociaal domein, gemeten met het zogenaamde OVA-percentage, vallen aanzienlijk hoger uit, zowel voor jeugdzorg als voor de Wmo. De gebrekkige compensatie van deze kosten legt een steeds zwaardere druk op onze begroting. Daarbij komt dat de werkelijke inflatie achteraf hoger blijkt dan eerder berekend, en dat deze niet wordt gecompenseerd. Bovendien worden de prijsontwikkelingen in de Wmo en jeugdzorg geïndexeerd op de OVA, terwijl de compensatie voor gemeenten is gebaseerd op de bbp-groei.
Beheersmaatregel: Voor een hoger loon- en prijsniveau is in de begroting een reservering opgenomen. Dit risico en risicobedrag is gewijzigd ten opzichte van de jaarrekening 2025 en de begroting 2026.

€ 3.241

Onderwerp: Wachtgeld wethouders
Omschrijving: Na het aftreden van wethouders, voor het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, is er een recht op wachtgeld. De duur van deze wachtgeldverplichting is afhankelijk van de duur van het wethouderschap, het loopbaanprincipe en de leeftijd van de ex-wethouder. Voor ex-wethouders die momenteel recht hebben op wachtgeld heeft de gemeente een voorziening gevormd en zijn de lasten afgedekt. Indien een lid van het huidige college zijn/haar functie neerlegt, ontstaat er een nieuwe verplichting. De burgemeester valt niet onder de gemeentelijke wachtgeldverplichting, dit is belegd bij de provincie. De maximale wachtgeldverplichting voor de 6 wethouders van de gemeente Purmerend bedraagt circa € 1,27 miljoen. Het is niet waarschijnlijk dat het volledige college tegelijkertijd aftreedt, niet wordt herbenoemd en volledig gebruik maakt van het recht op wachtgeld. Om die reden is 25% van het totale risico meegenomen (25% x € 1,27 miljoen = € 318.000).
Beheersmaatregelen: Er is geen aparte beheersmaatregel getroffen. Indien een bestuurder gebruik maakt van wachtgeld wordt de maximale wachtgeldverplichting in de loop van het jaar van aftreden gestort in een wachtgeldvoorziening. De omvang van het risicobedrag is gewijzigd ten opzichte van de jaarrekening 2025 en de begroting 2026.

€ 318

Onderwerp: Renterisico
Omschrijving:
Bij toekomstige financiering loopt de gemeente een renterisico. Dit is het risico dat de marktrente waartegen wordt geleend hoger uitvalt dan eerder is geraamd. Ook bestaat er een renterisico op het moment van renteherziening bij een lopende lening. De gemeente trekt langlopende leningen aan om in de eigen financieringsbehoefte te voorzien. De jaarlijkse kosten van de financieringsbehoefte (rentelasten) worden bepaald door de omvang van de bestaande leningenportefeuille, de financieringsbehoefte als gevolg van voorgenomen investeringen en de van toepassing zijnde rentetarieven. Een stijging van de rentetarieven ten opzichte van de begroting leidt namelijk tot hogere rentelasten. Bij het berekenen van de benodigde weerstandscapaciteit wordt er vanuit gegaan dat een structurele rentestijging van 1% ten opzichte van de verwachtingen moet kunnen worden opgevangen. Bij een netto jaarlijkse financieringsbehoefte van gemiddeld € 100 miljoen en een stijging van de rente van 1% bedraagt de toename van de rentelasten jaarlijks structureel circa € 1 miljoen. Voor de waardering van het risico wordt uitgegaan van een bedrag van € 4 miljoen (4 jaar x € 1 miljoen).
Beheersmaatregelen: Via het zogeheten renteomslagpercentage worden de rentelasten toegerekend aan de programma's waarvoor sprake is van een financieringsbehoefte. Het renteomslagpercentage wordt berekend op basis van de uitgangspunten van de door de raad vastgestelde begroting. Verder wordt de financieringsbehoefte periodiek meerjarig bepaald en wordt beoordeeld of incidenteel dan wel structureel tot afdekking van het renterisico dient te worden overgegaan. De omvang van het risicobedrag is gewijzigd ten opzichte van de jaarrekening 2025 en de begroting 2026.

€ 4.000

Onderwerp: Gemeentefonds
Omschrijving: Via circulaires worden we enkele malen per jaar (meestal mei en september) geconfronteerd met aanpassingen in de totale ontvangsten vanuit het gemeentefonds. Vanaf 2024 is er sprake van een nieuwe financieringsystematiek, waarbij het gemeentefonds wordt geindexeerd op basis van het bruto binnenlands product (bbp). Schommelingen in de algemene uitkering kunnen problemen veroorzaken voor het sluitend krijgen van de begroting. Op de hoogte van de algemene uitkering kan geen invloed worden uitgeoefend. Door de nieuwe financieringsystematiek zou het risico van een volatiel gemeentefonds afnemen en de stabiliteit worden vergroot. Aan de andere blijft het risico dat er gemeentelijke kosten zijn die harder stijgen dan het bbp (met name kosten voor zorg door vergrijzing en beheer & onderhoud). Andere risico's in het fonds zijn het btw-compensatiefonds (ruimte boven het plafond), de herverdeling (onderzoeksagenda) inclusief het ingroeipad (suppletie-uitkering). Gezien de dynamiek in het fonds wordt de maximale impact van dit risico geschat op € 14,8 miljoen over de gehele looptijd.

Beheersmaatregel: De algemene uitkering maakt integraal onderdeel uit van de begroting. De schommelingen worden op het eerstvolgende moment binnen de exploitatie verwerkt om deze sluitend te houden. Dit gebeurt door het op de voet volgen van ontwikkelingen (circulaires/rijksbegroting). De omvang van dit risicobedrag is gewijzigd ten opzichte van de jaarrekening 2025 en de begroting 2026.

€ 14.781

Onderwerp: Strategische verwervingen
Omschrijving: In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de gemeente doet de gemeente strategische verwervingen. De bedoeling van deze aankopen is om deze later in te zetten in gebiedsontwikkelingsprojecten of vastgoedontwikkeling. Aan deze aankopen gaat een onderhandelingstraject vooraf waardoor in de koopprijs soms ook een opslag zit voor toekomstige ontwikkelpotentie. Omdat deze aankopen nog niet in een grond- of vastgoed exploitatie zijn opgenomen, bestaat het risico dat bij geen doorgang van het project, te veel is betaald. Zekerheidshalve wordt daarom 25% van de boekwaarde (4,8 miljoen) opgenomen als risico.
Beheersmaatregel: Op deze investeringen worden geen kosten geactiveerd. De omvang van dit risicobedrag is gewijzigd ten opzichte van de jaarrekening 2025 en de begroting 2026.

€ 1.162

Onderwerp: Garanties en borgstelling
Omschrijving:De gemeente heeft aan diverse maatschappelijke instellingen, woningcorporaties, sportverenigingen, stichtingen en deelnemingen garanties en borgstellingen verleend. Bij de afweging voor financiële steun aan een instelling maakt Purmerend een afweging tussen het belang van de publieke taak en de financiële risico’s. Garantstelling kan worden ingezet als middel om een of meer beleidsdoelen te realiseren. Conform artikel 16 lid 3 uit de Financiële Verordening 2025 van de gemeente Purmerend worden financiële risico’s samenhangend met door de gemeente verstrekte garanties en borgstellingen meegewogen in de berekening van het benodigde weerstandsvermogen. Per 31 december 2025 heeft de gemeente in totaal € 2.412 miljoen aan waarborgen en garanties afgegeven. Dit betreft voornamelijk € 2.276 miljoen achtervang WSW (Volkshuisvesting), € 118,4 miljoen garantstellingen aan de Stadsverwarming Purmerend (SVP) en € 17,6 miljoen garantstellingen aan de HuisVuilCentrale Alkmaar (HVC). De resterende garantstellingen betreffen maatschappelijke instellingen en sportverenigingen. Op 28 september 2023 heeft de gemeenteraad ingestemd met raadsbesluit 1587205 inzake wensen en bedenkingen leningplafond SVP 2023-2026. In dit raadsbesluit is een borgstelling afgegeven voor de periode juli 2023 tot en met juni 2026 van € 65 miljoen. Waarbij het borgstellingsplafond ten aanzien van de langlopende geldleningen maximaal € 123 miljoen bedraagt. De gemeente staat daarnaast borg voor het rekening-courant krediet van SVP dat € 15 miljoen bedraagt. Daarmee komt de totale borgstelling op maximaal € 138 miljoen uit. In het najaar van 2026. In het najaar zal SVP een nieuwe prognose maken van de benodigde financiering in de periode 2026-2030 en aan de aandeelhouder voorleggen.
Beheersmaatregel: Er worden geen aparte beheersmaatregelen ingezet voor de WSW achtervangpositie. Voor de beheersing van de garanties aan HVC en SVP neemt de gemeente actief deel aan de Algemene Vergadering van Aandeelhouders. Dit risico wordt op p.m gesteld omdat de afgelopen jaarrekeningen van beide deelnemingen een positief resultaat laten zien, op de jaarrekening 2023 van SVP na. Dit risico en risicobedrag is ongewijzigd ten opzichte van de jaarrekening 2025 en de begroting 2026.

€ p.m.

Onderwerp: Fiscaliteiten
Omschrijving: De gemeente draagt diverse rijksbelastingen af. Dit betreffen met name loonbelasting, vennootschapsbelasting en omzetbelasting. Het fiscaal landschap is ingewikkeld. Het risico bestaat dat de gemeente fiscale wetgeving toepast of interpreteert waar de Belastingdienst een ander standpunt over heeft. De gemeente loopt dit risico ten aanzien van aangiften die nog niet definitief zijn vastgesteld door de Belastingdienst. Ook loopt de gemeente dit risico op moment dat de Belastingdienst een boekenonderzoek bij de gemeente komt uitvoeren. Indien de Belastingdienst op het standpunt staat dat de gemeente de fiscale wetgeving onjuist heeft toegepast, en hier eventueel bij de rechter in het gelijk over wordt gesteld, loopt de gemeente het risico op een naheffing. Ook heeft de Belastingdienst de mogelijkheid om indien van toepassing nog 5 jaar terug te vorderen en de naheffing te verhogen met een boete.
Beheersmaatregel: Bij complexe fiscale vraagstukken maakt de gemeente gebruik externe fiscaal deskundigen. Het risico en risicobedrag is gewijzigd ten opzichte van de jaarrekening 2025 en begroting 2026.

€ 2.954

Onderwerp: Klimaatveranderingen

Omschrijving: Het klimaat verandert harder en sneller dan eerder gedacht aldus het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI). De gemeente ervaart de gevolgen van klimaatverandering.

Steeds vaker krijgt de gemeente te maken met extreem weer, hevige of langdurige neerslag met wateroverlast tot gevolg, lange perioden van droogte met bodemdaling en schade aan en door groen als gevolg en storm schade. Eens in de zoveel jaar doen zich extreme wateroverlast, droogte of storm voor. Recent heeft zomerstorm Poly (juli 2023) voor hoge gemeentelijke herstelkosten ten aanzien van de bomen gezorgd. Het risico op schade in de openbare ruimte als gevolg van klimaatverandering neemt naar verwachting toe. Gezien de onzekere aard van de klimaatrisico’s is dit onderwerp opgenomen in het weerstandsvermogen waarbij als uitgangspunt is gehanteerd de herstelkosten inzake zomerstorm Poly (1,9 miljoen) vermenigvuldigd met een kans van voordoen van 10% en de structurele factor van 2,5. In droge jaren zoals 2018, 2019, 2020, 2022 en 2025 moet extra water gegeven worden aan jong groen en bomen. Regulier kost dit jaarlijks € 300.000. In droge jaren moet de gemeente meer water gegeven aan het  openbaar groen.
Beheersmaatregel: De klimaatopgave maakt integraal onderdeel uit van alle planvorming die de gemeente onderhanden heeft voor de openbare ruimte: van het gemeentelijke rioleringsplan tot de actualisatie van het IBOR. Het risicobedrag is ongewijzigd ten opzichte van de jaarrekening 2025 en de begroting 2026.

€ 464

Onderwerp: Afrekening subsidies

Omschrijving: De gemeente ontvangt diverse subsidies en specifieke uitkeringen. Er zijn de afgelopen jaren diverse grote en complexe specifieke uitkeringen ontvangen maar ook diverse subsidies vanuit de Provincie. De diverse specifieke uitkeringen en subsidies worden vaak als voorschot, of deels als voorschot aan de gemeente beschikbaar gesteld. Aan de voor de gemeente beschikbaar gestelde subsidies en specifieke uitkeringen zijn bestedingsvoorwaarde verbonden. Het risico bestaat dat de gemeente niet aan alle gestelde bestedingsvoorwaarden voldoet en de verstrekkende instanties een deel van de verstrekte voorschotten terugvraagt. Daarnaast heeft het Kabinet in het hoofdlijnenakkoord voornemens om de specifieke uitkeringen deel uit te laten maken van het gemeentefonds. De exacte impact daarvan is nog niet bekend en niet meegenomen in deze berekening. Als uitgangspunt is berekend de vooruitontvangen subsidiegelden per einde boekjaar vermenigvuldigd met een kans van voordoen van 10%.

Beheersmaatregelen: Per subsidietoekenning vind een startgesprek plaats zodat de uitvoerende afdeling weet waaraan zij de subsidiegelden morgen besteden en wat zij moeten verantwoorden. Het risicobedrag is gewijzigd ten opzichte van de begroting 2026 en ongewijzigd ten opzichte van de jaarrekening 2025.

€ 1.829

Onderwerp: Regeling voor Vervroegde Uitdiensttreding (RVU)
Omschrijving: Medewerkers van de gemeentelijke overheid kunnen vanaf 1 januari 2026 gebruik maken van de nieuwe regeling voor vervroegde uitdiensttreding (RVU). Deze regeling is uitsluitend van toepassing op medewerkers met een zwaar beroep. Om te bepalen of een beroep kan worden aangemerkt als zwaar, zijn referentiefuncties vastgesteld. Op basis van de “harde criteria” van deze regeling en de referentie functies komen vijf á zes van onze huidige medewerkers in aanmerking voor deze RVU regeling. Bij een enkele functie moet nog extern (conform de CAO) getoetst worden of die gekoppeld kan worden aan een van de referentie functies. De maximale RVU-verplichting voor de gemeente Purmerend bedraagt circa € 266.000. Het is niet waarschijnlijk dat alle medewerkers die daar recht op hebben gebruik zullen maken van de RVU. Om die reden is 20% van het totale risico meegenomen (20% x € 266.000 = € 53.224).  Medewerkers die gebruik willen maken van de in 2023 geintroduceerde RVU regeling zijn niet opgenomen in dit bedrag. Omdat de medewerkers die voor deze regeling in aanmerking wilde komen zich hiervoor hebben moeten aanmelden is voor hen een voorziening gevormd.
Beheersmaatregelen: Er is geen aparte beheersmaatregel getroffen. Indien een medewerker gebruik maakt van de RVU wordt de maximale verplichting in de jaarrekening opgenomen. Het risicobedrag is aangepast aan dit aantal mogelijke deelnemers. Het risicobedrag is gewijzigd ten opzichte van de jaarrekening 2025 en de begroting 2026.

€ 53

Onderwerp: Behalen toekomstscenario's/ taakstellingen
Omschrijving: Op dit moment zijn er diverse taakstellingen en toekomstscenario's opgenomen in de gemeentelijke begroting (zie bijlage ''overzicht en onderbouwing stelposten''). Deze taakstellingen en toekomstscenario's zijn financieel verwerkt en gedurende de komende jaren zal moeten worden gestuurd om deze te realiseren binnen de gestelde financiële kaders en in de benodigde jaren.
Beheersmaatregelen: Het college en de directie zullen sturen op de in de begroting opgenomen taakstellingen en toekomstscenario's en hierover via de gebruikelijke P&C documenten rapporteren. Het risicobedrag is ongewijzigd ten opzichte van de jaarrekening 2025 en de begroting 2026.

€ p.m.

Totaal benodigd weerstandsvermogen:

€ 77.900

Geprognosticeerde balans

Bij het opstellen van de geprognosticeerde balans wordt uitgegaan van de eindbalans van de laatst vastgestelde jaarrekening, in dit geval de Jaarrekening 2025. Vervolgens wordt het lopende begrotingsjaar toegevoegd in overeenstemming met de laatste ramingen uit de Voorgangsrapportage 2026. Hieraan worden de 4 volgende jaren toegevoegd conform de begroting en meerjarenraming.

Wat betreft de "Immateriële vaste activa", de "Materiële vaste activa" en de "Voorraden" vinden mutaties plaats volgens de op dit moment geplande investeringen en desinvesteringen en bij de (im)materiële vaste activa wordt er ook rekening gehouden met de geplande afschrijvingen.

Binnen de "Financiële vaste activa" vinden mutaties plaats bij de uitgegeven leningen ("Leningen aan openbare lichamen en deelnemingen" en "Overige langlopende geldleningen u/g"). Dit betreffen de geplande te ontvangen aflossingen volgens de leningsovereenkomsten.

De mutaties binnen het "Eigen vermogen en het Financieel resultaat" betreffen de op dit moment geplande mutaties in de reserves en het verwachte begrotingssaldo.

De overige balansposten betreffen gegevens die zich moeilijk laten voorspellen waardoor hier rekenregels voor worden gebruikt, waarbij de eindstand van de laatst vastgestelde jaarrekening wordt doorgetrokken.

Bij het verloop van de vaste schulden worden de aflossingen op de nieuw aan te trekken leningen meegenomen inclusief de waarborgsommen. Hieronder vindt u de verkorte meerjarenbalans (x € 1.000).

GEPROGNOSTICEERDE BALANS (x € 1.000)

Begroting 2026 31-12 (T-1)

Begroting 2027 31-12 (T)

Begroting 2028 31-12 (T+1)

Begroting 2029 31-12 (T+2)

Begroting 2030 31-12 (T+3)

ACTIVA

(Im-) Materiële  vaste activa (incl. activa in eigendom derden en kosten onderzoek & ontwikkeling)

   499.587

    570.029

    639.893

    703.366

     761.759

Financiële vaste activa- kapitaalverstrekkingen (diverse deelnemingen

    40.865

       41.123

       41.123

      41.123

      41.123

Financiële vaste activa- leningen > 1 jaar

    29.866

      33.772

       37.400

     40.733

       42.913

Financiële vaste activa- uitzettingen > 1 jaar

       5.810

         9.650

        5.821

        2.314

           1

Totaal Vaste Activa

576.128

    654.574

   724.237

    787.536

   845.796

Voorraden onderhanden werk ( bouwgronden in exploitatie (incl. voorziening)

       51.874

      30.698

       -5.040

    -16.740

     -18.293

Overige voorraden (grond- en hulpstoffen en gereed product en handelsgoederen & vooruitbetalingen)

             137

              137

              137

              137

              137

Uitzettingen < 1 jaar (debiteuren algemene dienst en belastingen, btw)

      37.465

      46.406

      46.406

      46.406

      46.406

Overlopende activa (voorschotten, nog te ontvangen)

                  -

      16.597

       16.597

       16.597

      16.597

Totaal Vlottende Activa

   106.073

     93.838

      58.100

      46.400

     44.847

Totaal ACTIVA

682.201

    748.412

    782.337

   833.936

   890.643

PASSIVA

Eigen vermogen (algemene, bestemmings- en egalisatiereserve

   114.144

    118.068

    117.094

     111.050

    99.937

Financieel resultaat (begrotingssaldo/ruimte)

        -1.754

             532

      -6.211

     -11.467

     -15.665

Voorzieningen (voor diverse doeleinden)

      14.631

       14.837

       17.481

       22.067

      26.847

Vaste schulden (looptijd van 1 jaar of langer, incl.. waarborgsommen)

    423.570

    476.624

    496.407

    524.753

    557.969

Totaal Vaste Passiva

465.303

   610.061

   624.771

  646.403

  669.088

Vlottende schuld (kasgeld, crediteuren, wmo en jeugd)

     60.208

     59.985

       59.377

     58.349

      57.446

Overlopende passiva (transitoria, doeluitkeringen, vooruitontvangsten)

      71.402

       78.366

      98.188

    128.185

   164.108

Totaal Vlottende Passiva

136.610

    138.351

    157.565

    187.534

  221.554

Totaal PASSIVA

682.201

    748.412

    782.337

   833.936

   890.643

In de geprognosticeerde balans is de stijging van met name de materiële vaste activa door het investeringsprogramma duidelijk zichtbaar. Dit verklaart de stijging van de leningenportefeuille vanaf 2027. Vanaf 2028 zien we een afname van de voorraadposities. Bij de uitgifte van gronden voor bedrijfsvestigingen zien we op het electriciteitsnet dat er sprake is van transportschaarste. Voor de Baanste-Noord is de verwachting dat de komende jaren relatief weinig kaveluitgifte zal plaatsvinden. Hierbij is de verwachting dat deze vanaf 2028 weer ingehaald zal worden. Het financieel resultaat (begrotingssaldo) is voor 2027 positief en loopt vanaf 2028 negatief met € 6,2 miljoen naar negatief 15,5 miljoen in 2030. Deze ontwikkeling wordt voornamelijk veroorzaakt door de stijgende lasten binnen het sociaal domein, met name voor jeugdzorg en Wmo, in combinatie met de lasten van investeringen.

Financiële kengetallen inclusief signaleringswaarden

Met ingang van de opstelling van de begroting 2016 zijn gemeenten verplicht 5 kengetallen in de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing op te nemen. De invoering van de betreffende kengetallen heeft louter tot doel een beter inzicht te verschaffen in de financiële positie van de gemeente, voor de vergelijking met andere gemeenten. Deze getallen dienen niet om te komen tot een normering (wat is goed, wat is slecht). Het gaat om de volgende kengetallen: nettoschuld quote, solvabiliteitsratio, grondexploitatie, structurele exploitatieruimte en gemeentelijke belastingcapaciteit.

Rekening
2025

Begroting 2027

Begroting 2028

Begroting 2029

Begroting 2030

Cat.A (minst risicovol)

Cat. B (neutraal)

Cat. C (meest risicovol)

1A

Netto schuldquote

95,2%

117,8%

130,9%

150,0%

172,2%

< 90%

90 - 130%

> 130%

1B

Netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen

87,7%

110,5%

122,5%

140,8%

161,8%

< 90%

90 - 130%

> 130%

2

Solvabiliteitsratio

20,4%

15,8%

14,2%

11,9%

9,5%

> 50%

20 - 50%

< 20%

3

Grondexploitatie

9,3%

6,7%

-1,1%

-3,9%

-4,4%

< 20%

20 - 35%

> 35%

4

Structurele exploitatieruimte

5,7%

0,1%

-1,4%

-2,7%

-3,8%

> 0%

0%

< 0%

5

Belastingcapaciteit

94,5%

97,1%

97,1%

97,1%

97,1%

< 95%

95 - 105%

> 105%

De kengetallen netto schuldquote en netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen, solvabiliteitsratio en grondexploitatie hebben betrekking op de balans. De kengetallen structurele exploitatieruimte en belastingcapaciteit brengen tot uitdrukking of een gemeente over voldoende structurele baten beschikt en welke mogelijkheid de gemeente heeft om de structurele baten op korte termijn te vergroten. Hoe hoger de schuld, hoe hoger de netto schuldquote. De netto schuldquote weerspiegelt het niveau van de schuldenlast van de gemeente ten opzichte van de eigen middelen en geeft een indicatie van de druk van de rentelasten en de aflossingen op de exploitatie. Om inzicht te verkrijgen in hoeverre er sprake is van doorlenen wordt de netto schuldquote in zowel in- als exclusief doorgeleende gelden weergegeven. De solvabiliteitsratio drukt het eigen vermogen uit als percentage van het totale vermogen en geeft daarmee inzicht in de mate waarin de gemeente in staat is aan haar financiële verplichtingen te voldoen. Het kengetal grondexploitatie geeft aan hoe groot de grondpositie (de waarde van de grond) is ten opzichte van de totale (geraamde) baten. De relevantie van het kengetal structurele exploitatieruimte is om te weten welke structurele ruimte een gemeente heeft om de eigen lasten te dragen, of welke structurele stijging van de baten of structurele daling van de lasten daarvoor nodig zijn. Voor de gemeenten wordt de belastingcapaciteit gerelateerd aan de hoogte van de gemiddelde woonlasten (OZB, rioolheffing en reinigingsheffing). Naast de OZB wordt gekeken naar de riool- en afvalstoffenheffing omdat de heffing niet kostendekkend hoeft te zijn, maar ook lager mag worden vastgesteld (er is dan sprake van belastingcapaciteit die niet benut wordt).

Om een beeld te geven hoe de financiële positie van gemeenten zich ontwikkelt, zijn de gemeenten per kengetal onderverdeeld naar 3 categorieën (zie onderstaande tabel). In het algemeen is categorie A minder risicovol dan categorie B, en B weer minder risicovol dan C. Dit is ook het geval bij grondexploitatie maar in geval van een hoge netto schuldquote kan een hoge grondexploitatie juist een mogelijkheid bieden om een hoge netto schuldquote te verlagen. Bij de belastingcapaciteit worden de belastingen per gemeente vergeleken met het landelijk gemiddelde. Kleiner dan 100% betekent dat de gemeente nog beneden het landelijk gemiddelde zit.

Ontwikkeling solvabiliteit 2027-2030

2027

2028

2029

2030

A. Eigen vermogen (incl. begrotingssaldo)

118.600

110.883

99.583

84.272

B. Totaal passiva

748.411

782.336

833.937

890.643

Solvabiliteit (A/B)

15,8%

14,2%

11,9%

9,5%

Bekend is dat Purmerend vanuit het verleden wordt gekenmerkt door een relatief zwakke schuld/eigen vermogenspositie, maar verder financieel gezond is. In oktober 2020 heeft de raad ingestemd (besluit 1529289) met het verbeteren van de solvabiliteit van Purmerend de komende jaren met als streven een solvabiliteit van 20%. Dit met name om mee te groeien met de groei van de schuld vanwege het grote investeringsprogramma. De solvabiliteitsratio is het eigen vermogen als percentage van het balanstotaal. In de jaarrekening 2025 was het solvabiliteitspercentage 20,4% en is de grens van 20% gehandhaafd. Door de investeringen in de begroting 2027 wordt een forse schuldtoename verwacht. Door de groei van de gemeente en het daarbij gestelde ambitieniveau daalt het solvabiliteitspercentage vanaf 2027 weer onder het gestelde niveau van 20%. Dit hangt mede samen met de dubbele investeringsopgave waarvoor Purmerend staat: het vervangen en vernieuwen van bestaande wijken en voorzieningen én het realiseren van extra voorzieningen voor de groeiende bevolking. In de huidige ramingen wordt uitgegaan van begrotingstekorten in 2028, 2029 en 2030, hetgeen direct doorwerkt op de solvabiliteit. Verwacht wordt dat het nieuwe college aanvullende keuzes zal maken, waardoor het tekort in deze jaren afneemt en de daling van de solvabiliteit naar verwachting minder sterk zal zijn dan nu geraamd.

We zien de omvang van de schuld meer toenemen dan de groei van het eigen vermogen dat direct doorwerkt op de solvabiliteitsquote als de netto schuldquote. Tegelijkertijd leert de ervaring dat investeringen vaak vertraging oplopen, waardoor de daling van de solvabiliteit minder snel verloopt dan begroot. Daarnaast verbetert de liquiditeitspositie doorgaans door de ontvangst van specifieke uitkeringen en subsidies.

Beleidsindicatoren

De vanaf 2017 verplicht op te nemen beleidsindicatoren komen voor de programma's van de bron waarstaatjegemeente.nl. Voor het onderdeel bestuur en organisatie zijn ook 5 indicatoren ontwikkelt die echter door de gemeente uit de eigen gegevens of de eigen begroting overgenomen moeten worden omdat er geen landelijke bron beschikbaar is. Omdat het gaat om indicatoren betreffende de organisatie nemen wij ze op bij het onderdeel overhead.

Indicator

2027

Formatie (fte per 1.000 inwoners)

9,77

Bezetting (fte per 1.000 inwoners)

9,77

Apparaatskosten (kosten per inwoner)

1.059

Externe inhuur als % van (loonsom + kst inhuur)

3,59%

Overhead (percentage van de totale lasten)

8,20%