De paragraaf Weerstandsvermogen en risicobeheersing geeft inzicht in de mate waarin de gemeente in staat is om niet-begrote kosten te dekken. Door de beschikbaarheid van weerstandsvermogen hoeft bij een financiële tegenvaller in de begrotingsuitvoering niet direct tot een bezuiniging te worden overgegaan.
Het weerstandsvermogen bestaat uit de relatie tussen:
A. De weerstandscapaciteit, zijnde de middelen en mogelijkheden waarover de gemeente beschikt of kan beschikken om niet-begrote kosten te dekken.
B. Alle risico’s waarvoor geen maatregelen zijn getroffen en die van materiële betekenis kunnen zijn in relatie tot de financiële positie.
In deze paragraaf zetten we eerst de beschikbare weerstandscapaciteit uiteen en daarna de risico’s en het hiervoor benodigd weerstandsvermogen. Beide onderdelen worden vervolgens tegen elkaar afgezet.
Tot de weerstandscapaciteit worden de post onvoorzien, reserves , stille reserves en de onbenutte belastingcapaciteit gerekend. In het onderstaande overzicht staan de afzonderlijke onderdelen beschreven. Hierbij staat aangegeven of en voor hoeveel deze onderdelen bijdragen aan de beschikbare weerstandscapaciteit.
Onderdeel/Omvang/Duiding | Bedrag (x € 1.000) |
Onderdeel: Algemene reserve (incidenteel) Omvang: € 63.649 Duiding: De omvang van de reserves moet worden gezien in relatie tot de totale balanspositie: reserves vormen geen vrij besteedbaar ‘potje’, maar zijn onderdeel van het verschil tussen bezittingen en verplichtingen. De algemene reserve is de belangrijkste vrij inzetbare buffer voor het opvangen van financiële tegenvallers. Aanwending van deze reserve vermindert direct de financiële weerbaarheid van de gemeente en vergroot – door de lagere vermogenspositie – de toekomstige schuldquote en financieringsbehoefte. | € 63.649 |
Onderdeel: Bestemmingsreserves (incidenteel) Omvang: Circa € 48.741 | € 0 |
Onderdeel: Stille reserves (incidenteel) Omvang: € 5.200 Duiding: De stille reserves bestaan uit gemeentelijke panden, gronden en overige activa waarvoor bij verkoop mogelijk een boekwinst kan worden gerealiseerd. Omdat deze bezittingen veelal in gebruik zijn voor de uitvoering van gemeentelijke taken en niet op korte termijn beschikbaar of verkoopbaar zijn, worden zij niet tot de beschikbare weerstandscapaciteit gerekend. Daarnaast beschikt de gemeente over aandelen in BNG, Alliander en HVC. De werkelijke waarde van deze deelnemingen ligt hoger dan de nominale waarde die volgens het BBV in de balans is opgenomen. Deze aandelen zijn echter niet vrij verhandelbaar, waardoor de waarde ervan niet kan worden verzilverd voor algemene financiële inzet. Bovendien ontvangt de gemeente jaarlijks dividend op deze aandelen. Verkoop zou daarom leiden tot een structurele daling van inkomsten, wat de financiële positie op lange termijn verzwakt. Om deze redenen worden deze deelnemingen niet meegenomen in de bepaling van de beschikbare weerstandscapaciteit. | € 0 |
Onderdeel: Onbenutte belastingcapaciteit (structureel) Omvang: Circa € 11.673 Duiding: De onbenutte belastingcapaciteit betreft het verschil tussen de huidige OZB‑tarieven en het niveau van 120% van het landelijk gemiddelde. Dit vormt in theorie een structurele inkomstenbron die kan worden aangeboord door belastingtarieven te verhogen. Gemeenten worden tot het niveau van 120% in ieder geval niet geconfronteerd met artikel‑12‑toezicht. Ondanks deze potentiële ruimte wordt de onbenutte belastingcapaciteit niet aangemerkt als beschikbare weerstandscapaciteit. Deze beleidsruimte is door de raad nadrukkelijk gereserveerd in het kader van een mogelijke toekomstige taakovername van het wegenbeheer van het hoogheemraadschap (HHNK). Bij overdracht van deze taak zal een verschuiving in belastingheffing plaatsvinden: de huidige wegenheffing van HHNK vervalt voor inwoners, terwijl de OZB‑opbrengst moet worden verhoogd om de gemeentelijke uitvoeringskosten te dekken. Andere heffingen, zoals de afvalstoffenheffing en rioolheffing, zijn volledig kostendekkend en kennen daarom geen structurele onbenutte belastingcapaciteit. | € 0 |
Onderdeel: Post onvoorzien (structureel) Omvang: € 50 Duiding: De omvang van de post onvoorzien is in Purmerend bepaald op € 50.000. De post is wettelijk verplicht en dit bedrag is opgenomen in de begroting 2026. Omdat deze post in de meerjarenbegroting op een gelijk niveau wordt gehandhaafd, wordt zij aangemerkt als onderdeel van de structurele weerstandscapaciteit. Conform de gemeentelijke systematiek wordt de post onvoorzien in de berekening van de beschikbare weerstandscapaciteit 2,5 keer meegenomen. Hoewel de omvang van de post beperkt is, draagt zij bij aan het opvangen van kleinere, niet-ramingsbare tegenvallers gedurende het begrotingsjaar. | € 125 |
Beschikbare weerstandscapaciteit per 1 januari 2027 | € 63.774 |
Gelet op de bovenstaande tabel wordt in Purmerend de beschikbare weerstandscapaciteit gelijkgesteld aan de algemene reserve en de post onvoorzien.
Risico’s zijn er in allerlei soorten en maten. Voor welke risico’s we meenemen, worden de onderstaande vuistregels gebruikt.
Kortingen op algemene (het gemeentefonds) en specifieke uitkeringen worden ingeschat en verwerkt in de begroting. Het weerstandsvermogen is nadrukkelijk niet bedoeld als buffer hiervoor. De gemeentelijke begroting moet hierop inspelen. Dat geldt ook voor risico's betreffende het onvolledig kunnen declareren van uitgaven op specifieke uitkeringsregelingen. Deze risico's kunnen we vooraf inschatten en in de p&c cyclus verwerken.
Voor gebeurtenissen waarvan het zeker is dat ze zich voor gaan doen en waarvan de omvang ook bekend is, worden voorzieningen ingesteld. Bij het weerstandsvermogen kunnen deze kosten derhalve buiten beschouwing worden gelaten.
Voor rampen en crisissituaties geldt dat er een scala aan beheersmaatregelen is getroffen. Dit betreft enerzijds het rampenplan waarmee aangegeven wordt hoe een (dreigende) ramp of crisis te lijf wordt gegaan en anderzijds is er sprake van een verzekerd risico. Voor zover dit niet het geval is zal worden teruggevallen op de Rijksoverheid. Uiteraard kan er sprake zijn van een financieel nadeel voor de gemeente. De omvang hiervan is niet vooraf in te schatten. Voor zover het in de beïnvloedingssfeer ligt van de gemeente wordt via de weg van vergunningen en periodieke toetsing gezorgd voor het minimaliseren van de risico's. Rampen en crises worden niet meegenomen in de risico’s tenzij die voldoende kwantificeerbaar zijn.
Voor bepaling van de wenselijke omvang van het weerstandsvermogen hebben we de financiële risico's in kaart gebracht. Bij deze risico's hanteren we een ondergrens van € 100.000. Risico's daaronder lichten we hier verder niet toe, omdat het een lange reeks van kleine risico's betreft.
Daadwerkelijk opgetreden risico’s gedurende het jaar maken onderdeel uit van de jaarrekening en/of tussenrapportages. In de begroting houden wij rekening met de reguliere risico's. Veelal kunnen we deze via een verzekering afdekken. Bij deze risico’s geldt dat we kunnen inschatten of het risico zich daadwerkelijk zal manifesteren en de omvang van het risico.
Om de risico’s op te vangen, zijn verschillende maatregelen mogelijk:
Bijstelling van de geldende beleidskaders, hierdoor kunnen we de uitvoeringskosten beperken. Dit kan bijvoorbeeld door de grenzen te verhogen waarboven de gemeente een bijdrage verleent.
Inkomstenverhogende maatregelen nemen wanneer risico’s zich manifesteren op onderdelen met kostendekkende dienstverlening.
Frequent(er) toetsen of het risico zich al voordoet en zo goed mogelijk maatregelen treffen ter beheersing van onzekerheden. Deze maatregel kunnen we inzetten op die onderdelen waarvan de gemeente de uitkomst niet kan sturen, maar waarvan we de uitkomsten wel kunnen volgen. Doel van de maatregel is dan om te voorkomen dat 'ongemerkt' de begroting en de werkelijkheid uiteen groeien en er nadelen optreden.
In de bepaling van het benodigde weerstandsvermogen is niet afgewogen of alle risico's zich gelijktijdig kunnen en zullen voordoen. De risico's zijn daarom opgeteld. Zodra risico's zich daadwerkelijk voordoen wegen we af of we structurele maatregelen moeten nemen.
In onderstaande tabel staan de actuele risico-onderwerpen en is aangegeven of we voor dit onderwerp rekening houden met benodigd weerstandsvermogen. Als er sprake is van een structureel risico wordt dit vermenigvuldigd met 2,5 om het zo te kunnen afzetten tegen de weerstandscapaciteit (Conform de werkwijze van het Nederlands Adviesbureau voor Risicomanagement (Naris). Ook staat hier welke beheersmaatregel we kunnen inzetten om het risico zoveel mogelijk te verkleinen of uit te schakelen. In de omschrijving is het toegelicht als de huidige inschatting afwijkt van de inschatting in de begroting.
Onderwerp/omschrijving/beheersmaatregel | Bedrag (x € 1.000) |
Onderwerp: Algemene spoedbuffer (structureel) | € 4.539 |
Onderwerp: Wmo, Jeugdwet en Participatiewet Omschrijving: Binnen het maatschappelijk domein biedt Purmerend hulp vanuit de Jeugdwet, Participatiewet en de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Voor het maatschappelijk domein gelden binnen deze beleidskaders onzekerheden aan zowel de uitgaven- als de inkomstenkant. Het betreffen openeinderegelingen waarbij de uitgaven niet altijd beheersbaar zijn. Binnen Participatie geldt daarnaast dat de uitgaven conjunctuurgevoelig zijn. Tenslotte geldt dat de middelen die het Rijk op lange termijn beschikbaar stelt aan gemeenten voor deze taken ter discussie staan en dat zorgt voor onzekerheden aan de inkomstenkant. Gemeenten moeten uiteraard anticiperen op deze ontwikkelingen, maar op jaarbasis kan er sprake zijn van aanzienlijke financiële effecten vanwege de omvang van de budgetten. Om die reden is een buffer nodig. Deze buffer is als volgt bepaald: 1. Jeugdwet: De uitgaven voor specialistische jeugdhulp staan onder aanhoudende druk. De kosten nemen toe doordat:
De financiële kaders voor de jeugdzorg zijn tot en met 2027 op hoofdlijnen vastgelegd in afspraken tussen Rijk en VNG. Voor de periode daarna blijft echter sprake van onzekerheid over de structurele financiering en de verdeling van financiële risico’s. De deskundigencommissie Van Ark monitort de uitvoering van de Hervormingsagenda en brengt in 2027 een zwaarwegend advies uit dat mede richting geeft aan het financiële kader vanaf 2028. Tegelijkertijd blijkt uit het eerste advies dat de beoogde besparingen nog niet worden gerealiseerd. Daarnaast worden aanvullende beheersmaatregelen voorbereid, zoals sturing op trajectduur en een mogelijke eigen bijdrage. Deze vereisen nog politieke besluitvorming en kennen onzekere financiële effecten vanaf 2028. Dit leidt tot aanhoudende onzekerheid over zowel de omvang van de middelen als de ontwikkeling van de uitgaven in de jeugdzorg. In de Voorjaarsnota 2025 van het RIjk zijn afspraken gemaakt over het zwaarwegende advies van de Deskundigencommissie Hervormingsagenda Jeugd in 2027 met betrekking tot de kosten die gemeenten maken voor jeugdzorg. Deze afspraken heeft het huidige kabinet in het Overhedenoverleg van 13 april 2026 herbevestigd. In overeenstemming met de aanvullende begrotingscirculaire 2027 van de provincie Noord-Holland zijn in deze begroting stelposten opgenomen voor ontwikkelingen waarvan de financiële effecten nog afhankelijk zijn van nadere landelijke besluitvorming, wetgeving of beleidsuitwerking. Voor deze onderwerpen heeft de toezichthouder expliciet aangegeven budgettair neutrale verwerking toe te staan. De onderbouwing van deze stelposten is opgenomen in de bijlage ‘Overzicht en onderbouwing stelposten’. De landelijke en regionale krapte op de arbeidsmarkt voor jeugdzorgprofessionals vormt een structureel risico. De beperkte personele beschikbaarheid leidt tot hoge werkdruk, oplopende wachttijden en een beperkte doorstroom. Dit speelt zowel bij zorgaanbieders als bij wettelijke verwijzers (zoals huisartsen en jeugdteams). Capaciteitsdruk aan de voorkant kan ertoe leiden dat problematiek langer blijft liggen en in ernst toeneemt, waardoor bij aanmelding vaker zwaardere en duurdere zorg nodig is. Dit vergroot de kans op verdere capaciteitsproblemen en stijgende kosten. De huidige contracten voor (hoog) specialistische jeugdhulp lopen af per 31 december 2026. Om de continuïteit van zorg te borgen zijn twee aanbestedingen gestart voor een toereikend en stabiel aanbod vanaf 2027. Uitgangspunt is het hanteren van reële en uitvoerbare tarieven, zonder kostenstijging ten opzichte van de huidige contracten, in lijn met landelijke afspraken over een beheersbaar en doelmatig jeugdzorgstelsel. 2. Wmo: De kostenstijging in de Wmo de afgelopen jaren komt met name door salarisstijgingen (inflatiecorrectie) en een krappe arbeidsmarkt. Daarnaast door het uniforme abonnementstarief. Ook hebben we te maken met dubbele vergrijzing en daardoor een toename van (complexere) ondersteuningsaanvragen. De inkomens- en vermogensafhankelijke bijdrage in de WMO zal naar alle waarschijnlijkheid per 1 januari 2028 worden ingevoerd. Zonder wetswijzigingen of compensatie door het Rijk zal dit tot extra niet begrote uitgaven leiden. Ook hier houden we als risico het gemiddelde procentuele tekort over 2024 en 2025 ten opzichte van de begroting 2027 aan. Dat leidt dit tot een bedrag van € 0,6 miljoen. Als ondergrens wordt 1% van de begroting 2027 aangehouden (€ 0,3 miljoen). In dit geval wordt € 0,6 miljoen opgenomen. In de meicirculaire 2026 is een uitname uit het gemeentefonds verwerkt als gevolg van het voorgenomen vervallen van huishoudelijke hulp als maatwerkvoorziening binnen de Wmo per 1 januari 2029. Omdat op dit moment nog onvoldoende duidelijk is hoe het voorgestelde vangnet wordt ingericht en wat hiervan de financiële gevolgen zijn voor gemeenten, is vanaf 2029 een stelpost opgenomen ter grootte van de netto-uitname uit het gemeentefonds. Hiermee wordt deze maatregel vooralsnog budgettair neutraal verwerkt. De provincie Noord-Holland staat deze werkwijze voor de begroting 2027 expliciet toe. De onderbouwing van de stelpost is opgenomen in de bijlage ‘Overzicht en onderbouwing stelposten’. Gedurende 2025 heeft er een aanbesteding plaatsgevonden voor de nieuwe wmo-maatwerkondersteuning. In deze begroting is het effect van deze aanbesteding voor 2026 verwerkt. De te treffen beheersmaatregelen binnen de wmo-maatwerkondersteuning evenals het effect van dubbele vergrijzing en de inkomensafhankelijke eigen bijdrage is nog geen onderdeel van de meerjarenbegroting. 3. Participatiewet: We zien dat deze kosten van begeleiding van mensen die onder de Participatiewet vallen in de praktijk hoger zijn dan waar het rijk zijn budget op baseert. De problematiek van inwoners die onder de Participatiewet vallen zorgt voor behoefte aan steeds intensievere begeleiding. Dit betekent verzwaring van de caseload bij de uitvoering. Als we het risico berekenen op dezelfde manier als Jeugd en Wmo, namelijk het gemiddelde procentuele tekort over 2024 en 2025 ten opzichte van de begroting 2027, dan leidt dit tot een lager bedrag dan dat wij als ondergrens hanteren. Als ondergrens wordt 1% van de begroting 2027 aangehouden (€ 83.000). In dit geval wordt € 83.000 opgenomen. Beheersmaatregel: Er worden diverse beheersmaatregelen binnen het sociaal domein ingezet, zoals bijvoorbeeld de inzet op preventie bij Jeugd en Wmo. Dit risico en risicobedrag is gewijzigd ten opzichte van de jaarrekening 2025 en de begroting 2026. | € 15.184 |
Onderwerp: Asbestsaneringen Beheersmaatregel: Er worden geen aparte beheersmaatregelen ingezet. Dit risico en risicobedrag is ongewijzigd t.o.v. de jaarrekening 2025 en de begroting 2026. | € 500 |
Onderwerp: Proeftuin aardgasvrije wijken | € 215 |
Onderwerp: Grondexploitaties Beheersmaatregel: Per grondexploitatie zijn specifieke maatregelen genomen om het beslag op het weerstandsvermogen te beperken. Dit risico en risicobedrag is ongewijzigd ten opzichte van de jaarrekening 2025, maar gewijzigd ten opzichte van de begroting 2026. | € 19.160 |
Onderwerp: Uitval van kritische applicaties/systemen i.v.m. cyberaanval | € 9.500 |
Onderwerp: Wegenbeheer | € p.m. |
Onderwerp: Loon/prijsstijgingen Voor de materiële uitgaven op prijsgevoelige exploitatiebudgetten, die bestaan uit de aanschaf van goederen en de levering van diensten (zoals energiekosten, kantoorartikelen, accountantsdiensten, onderhoud aan gebouwen en infrastructuur, schoonmaak en softwarelicenties), baseren we de indexering op de verwachtingen van het Centraal Planbureau (CPB), zoals vermeld in het Centraal Economisch Plan (CEP) 2025, Prijs netto materiële overheidsconsumptie (IMOC). We reserveren het bedrag voor prijsstijgingen op één verzamelbudget binnen het overzicht van algemene dekkingsmiddelen (centrale stelpost LPO). Als prijsstijgingen contractueel zijn vastgelegd, verhogen we het betreffende budget met dekking vanuit het verzamelbudget. Voor algemene prijsstijgingen wordt een bedrag van € 1 miljoen aangehouden (1 % van € 101 miljoen). Gerekend is met 2,5 keer dit structurele risico (€ 2,5 miljoen). Voor kredieten geldt als uitgangspunt de raadsmemo (944983). Voor jaargebonden kredieten geldt een piepsysteem (geen standaardindexering). Bij meerjarige kredieten (waarbij de verwachte cashflow van de investering zich over ten minste twee jaar uitstrekt en de omvang meer dan € 1 miljoen bedraagt) wordt geïndexeerd voor vier categorieën: riolering, wegen en kunstwerken, scholen en gymzalen en overig maatschappelijk vastgoed. Deze indexering wordt jaarlijks bij de begroting geactualiseerd. Sinds 2024 groeit het gemeentefonds mee met het achtjaarlijks gemiddelde van de economische groei, aangevuld met het prijspeilpercentage van het Bruto Binnenlands Product (bpp) voor het betreffende jaar. Dit bbp-percentage blijkt echter onvoldoende om de stijgende kosten te compenseren. De kostenstijgingen in het sociaal domein, gemeten met het zogenaamde OVA-percentage, vallen aanzienlijk hoger uit, zowel voor jeugdzorg als voor de Wmo. De gebrekkige compensatie van deze kosten legt een steeds zwaardere druk op onze begroting. Daarbij komt dat de werkelijke inflatie achteraf hoger blijkt dan eerder berekend, en dat deze niet wordt gecompenseerd. Bovendien worden de prijsontwikkelingen in de Wmo en jeugdzorg geïndexeerd op de OVA, terwijl de compensatie voor gemeenten is gebaseerd op de bbp-groei. | € 3.241 |
Onderwerp: Wachtgeld wethouders | € 318 |
Onderwerp: Renterisico | € 4.000 |
Onderwerp: Gemeentefonds Beheersmaatregel: De algemene uitkering maakt integraal onderdeel uit van de begroting. De schommelingen worden op het eerstvolgende moment binnen de exploitatie verwerkt om deze sluitend te houden. Dit gebeurt door het op de voet volgen van ontwikkelingen (circulaires/rijksbegroting). De omvang van dit risicobedrag is gewijzigd ten opzichte van de jaarrekening 2025 en de begroting 2026. | € 14.781 |
Onderwerp: Strategische verwervingen | € 1.162 |
Onderwerp: Garanties en borgstelling | € p.m. |
Onderwerp: Fiscaliteiten | € 2.954 |
Onderwerp: Klimaatveranderingen Omschrijving: Het klimaat verandert harder en sneller dan eerder gedacht aldus het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI). De gemeente ervaart de gevolgen van klimaatverandering. Steeds vaker krijgt de gemeente te maken met extreem weer, hevige of langdurige neerslag met wateroverlast tot gevolg, lange perioden van droogte met bodemdaling en schade aan en door groen als gevolg en storm schade. Eens in de zoveel jaar doen zich extreme wateroverlast, droogte of storm voor. Recent heeft zomerstorm Poly (juli 2023) voor hoge gemeentelijke herstelkosten ten aanzien van de bomen gezorgd. Het risico op schade in de openbare ruimte als gevolg van klimaatverandering neemt naar verwachting toe. Gezien de onzekere aard van de klimaatrisico’s is dit onderwerp opgenomen in het weerstandsvermogen waarbij als uitgangspunt is gehanteerd de herstelkosten inzake zomerstorm Poly (1,9 miljoen) vermenigvuldigd met een kans van voordoen van 10% en de structurele factor van 2,5. In droge jaren zoals 2018, 2019, 2020, 2022 en 2025 moet extra water gegeven worden aan jong groen en bomen. Regulier kost dit jaarlijks € 300.000. In droge jaren moet de gemeente meer water gegeven aan het openbaar groen. | € 464 |
Onderwerp: Afrekening subsidies Omschrijving: De gemeente ontvangt diverse subsidies en specifieke uitkeringen. Er zijn de afgelopen jaren diverse grote en complexe specifieke uitkeringen ontvangen maar ook diverse subsidies vanuit de Provincie. De diverse specifieke uitkeringen en subsidies worden vaak als voorschot, of deels als voorschot aan de gemeente beschikbaar gesteld. Aan de voor de gemeente beschikbaar gestelde subsidies en specifieke uitkeringen zijn bestedingsvoorwaarde verbonden. Het risico bestaat dat de gemeente niet aan alle gestelde bestedingsvoorwaarden voldoet en de verstrekkende instanties een deel van de verstrekte voorschotten terugvraagt. Daarnaast heeft het Kabinet in het hoofdlijnenakkoord voornemens om de specifieke uitkeringen deel uit te laten maken van het gemeentefonds. De exacte impact daarvan is nog niet bekend en niet meegenomen in deze berekening. Als uitgangspunt is berekend de vooruitontvangen subsidiegelden per einde boekjaar vermenigvuldigd met een kans van voordoen van 10%. Beheersmaatregelen: Per subsidietoekenning vind een startgesprek plaats zodat de uitvoerende afdeling weet waaraan zij de subsidiegelden morgen besteden en wat zij moeten verantwoorden. Het risicobedrag is gewijzigd ten opzichte van de begroting 2026 en ongewijzigd ten opzichte van de jaarrekening 2025. | € 1.829 |
Onderwerp: Regeling voor Vervroegde Uitdiensttreding (RVU) | € 53 |
Onderwerp: Behalen toekomstscenario's/ taakstellingen | € p.m. |
Totaal benodigd weerstandsvermogen: | € 77.900 |
Bij het opstellen van de geprognosticeerde balans wordt uitgegaan van de eindbalans van de laatst vastgestelde jaarrekening, in dit geval de Jaarrekening 2025. Vervolgens wordt het lopende begrotingsjaar toegevoegd in overeenstemming met de laatste ramingen uit de Voorgangsrapportage 2026. Hieraan worden de 4 volgende jaren toegevoegd conform de begroting en meerjarenraming.
Wat betreft de "Immateriële vaste activa", de "Materiële vaste activa" en de "Voorraden" vinden mutaties plaats volgens de op dit moment geplande investeringen en desinvesteringen en bij de (im)materiële vaste activa wordt er ook rekening gehouden met de geplande afschrijvingen.
Binnen de "Financiële vaste activa" vinden mutaties plaats bij de uitgegeven leningen ("Leningen aan openbare lichamen en deelnemingen" en "Overige langlopende geldleningen u/g"). Dit betreffen de geplande te ontvangen aflossingen volgens de leningsovereenkomsten.
De mutaties binnen het "Eigen vermogen en het Financieel resultaat" betreffen de op dit moment geplande mutaties in de reserves en het verwachte begrotingssaldo.
De overige balansposten betreffen gegevens die zich moeilijk laten voorspellen waardoor hier rekenregels voor worden gebruikt, waarbij de eindstand van de laatst vastgestelde jaarrekening wordt doorgetrokken.
Bij het verloop van de vaste schulden worden de aflossingen op de nieuw aan te trekken leningen meegenomen inclusief de waarborgsommen. Hieronder vindt u de verkorte meerjarenbalans (x € 1.000).
GEPROGNOSTICEERDE BALANS (x € 1.000) | Begroting 2026 31-12 (T-1) | Begroting 2027 31-12 (T) | Begroting 2028 31-12 (T+1) | Begroting 2029 31-12 (T+2) | Begroting 2030 31-12 (T+3) |
ACTIVA | |||||
(Im-) Materiële vaste activa (incl. activa in eigendom derden en kosten onderzoek & ontwikkeling) | 499.587 | 570.029 | 639.893 | 703.366 | 761.759 |
Financiële vaste activa- kapitaalverstrekkingen (diverse deelnemingen | 40.865 | 41.123 | 41.123 | 41.123 | 41.123 |
Financiële vaste activa- leningen > 1 jaar | 29.866 | 33.772 | 37.400 | 40.733 | 42.913 |
Financiële vaste activa- uitzettingen > 1 jaar | 5.810 | 9.650 | 5.821 | 2.314 | 1 |
Totaal Vaste Activa | 576.128 | 654.574 | 724.237 | 787.536 | 845.796 |
Voorraden onderhanden werk ( bouwgronden in exploitatie (incl. voorziening) | 51.874 | 30.698 | -5.040 | -16.740 | -18.293 |
Overige voorraden (grond- en hulpstoffen en gereed product en handelsgoederen & vooruitbetalingen) | 137 | 137 | 137 | 137 | 137 |
Uitzettingen < 1 jaar (debiteuren algemene dienst en belastingen, btw) | 37.465 | 46.406 | 46.406 | 46.406 | 46.406 |
Overlopende activa (voorschotten, nog te ontvangen) | - | 16.597 | 16.597 | 16.597 | 16.597 |
Totaal Vlottende Activa | 106.073 | 93.838 | 58.100 | 46.400 | 44.847 |
Totaal ACTIVA | 682.201 | 748.412 | 782.337 | 833.936 | 890.643 |
PASSIVA | |||||
Eigen vermogen (algemene, bestemmings- en egalisatiereserve | 114.144 | 118.068 | 117.094 | 111.050 | 99.937 |
Financieel resultaat (begrotingssaldo/ruimte) | -1.754 | 532 | -6.211 | -11.467 | -15.665 |
Voorzieningen (voor diverse doeleinden) | 14.631 | 14.837 | 17.481 | 22.067 | 26.847 |
Vaste schulden (looptijd van 1 jaar of langer, incl.. waarborgsommen) | 423.570 | 476.624 | 496.407 | 524.753 | 557.969 |
Totaal Vaste Passiva | 465.303 | 610.061 | 624.771 | 646.403 | 669.088 |
Vlottende schuld (kasgeld, crediteuren, wmo en jeugd) | 60.208 | 59.985 | 59.377 | 58.349 | 57.446 |
Overlopende passiva (transitoria, doeluitkeringen, vooruitontvangsten) | 71.402 | 78.366 | 98.188 | 128.185 | 164.108 |
Totaal Vlottende Passiva | 136.610 | 138.351 | 157.565 | 187.534 | 221.554 |
Totaal PASSIVA | 682.201 | 748.412 | 782.337 | 833.936 | 890.643 |
In de geprognosticeerde balans is de stijging van met name de materiële vaste activa door het investeringsprogramma duidelijk zichtbaar. Dit verklaart de stijging van de leningenportefeuille vanaf 2027. Vanaf 2028 zien we een afname van de voorraadposities. Bij de uitgifte van gronden voor bedrijfsvestigingen zien we op het electriciteitsnet dat er sprake is van transportschaarste. Voor de Baanste-Noord is de verwachting dat de komende jaren relatief weinig kaveluitgifte zal plaatsvinden. Hierbij is de verwachting dat deze vanaf 2028 weer ingehaald zal worden. Het financieel resultaat (begrotingssaldo) is voor 2027 positief en loopt vanaf 2028 negatief met € 6,2 miljoen naar negatief 15,5 miljoen in 2030. Deze ontwikkeling wordt voornamelijk veroorzaakt door de stijgende lasten binnen het sociaal domein, met name voor jeugdzorg en Wmo, in combinatie met de lasten van investeringen.
Met ingang van de opstelling van de begroting 2016 zijn gemeenten verplicht 5 kengetallen in de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing op te nemen. De invoering van de betreffende kengetallen heeft louter tot doel een beter inzicht te verschaffen in de financiële positie van de gemeente, voor de vergelijking met andere gemeenten. Deze getallen dienen niet om te komen tot een normering (wat is goed, wat is slecht). Het gaat om de volgende kengetallen: nettoschuld quote, solvabiliteitsratio, grondexploitatie, structurele exploitatieruimte en gemeentelijke belastingcapaciteit.
Rekening | Begroting 2027 | Begroting 2028 | Begroting 2029 | Begroting 2030 | Cat.A (minst risicovol) | Cat. B (neutraal) | Cat. C (meest risicovol) | ||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
1A | Netto schuldquote | 95,2% | 117,8% | 130,9% | 150,0% | 172,2% | < 90% | 90 - 130% | > 130% |
1B | Netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen | 87,7% | 110,5% | 122,5% | 140,8% | 161,8% | < 90% | 90 - 130% | > 130% |
2 | Solvabiliteitsratio | 20,4% | 15,8% | 14,2% | 11,9% | 9,5% | > 50% | 20 - 50% | < 20% |
3 | Grondexploitatie | 9,3% | 6,7% | -1,1% | -3,9% | -4,4% | < 20% | 20 - 35% | > 35% |
4 | Structurele exploitatieruimte | 5,7% | 0,1% | -1,4% | -2,7% | -3,8% | > 0% | 0% | < 0% |
5 | Belastingcapaciteit | 94,5% | 97,1% | 97,1% | 97,1% | 97,1% | < 95% | 95 - 105% | > 105% |
De kengetallen netto schuldquote en netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen, solvabiliteitsratio en grondexploitatie hebben betrekking op de balans. De kengetallen structurele exploitatieruimte en belastingcapaciteit brengen tot uitdrukking of een gemeente over voldoende structurele baten beschikt en welke mogelijkheid de gemeente heeft om de structurele baten op korte termijn te vergroten. Hoe hoger de schuld, hoe hoger de netto schuldquote. De netto schuldquote weerspiegelt het niveau van de schuldenlast van de gemeente ten opzichte van de eigen middelen en geeft een indicatie van de druk van de rentelasten en de aflossingen op de exploitatie. Om inzicht te verkrijgen in hoeverre er sprake is van doorlenen wordt de netto schuldquote in zowel in- als exclusief doorgeleende gelden weergegeven. De solvabiliteitsratio drukt het eigen vermogen uit als percentage van het totale vermogen en geeft daarmee inzicht in de mate waarin de gemeente in staat is aan haar financiële verplichtingen te voldoen. Het kengetal grondexploitatie geeft aan hoe groot de grondpositie (de waarde van de grond) is ten opzichte van de totale (geraamde) baten. De relevantie van het kengetal structurele exploitatieruimte is om te weten welke structurele ruimte een gemeente heeft om de eigen lasten te dragen, of welke structurele stijging van de baten of structurele daling van de lasten daarvoor nodig zijn. Voor de gemeenten wordt de belastingcapaciteit gerelateerd aan de hoogte van de gemiddelde woonlasten (OZB, rioolheffing en reinigingsheffing). Naast de OZB wordt gekeken naar de riool- en afvalstoffenheffing omdat de heffing niet kostendekkend hoeft te zijn, maar ook lager mag worden vastgesteld (er is dan sprake van belastingcapaciteit die niet benut wordt).
Om een beeld te geven hoe de financiële positie van gemeenten zich ontwikkelt, zijn de gemeenten per kengetal onderverdeeld naar 3 categorieën (zie onderstaande tabel). In het algemeen is categorie A minder risicovol dan categorie B, en B weer minder risicovol dan C. Dit is ook het geval bij grondexploitatie maar in geval van een hoge netto schuldquote kan een hoge grondexploitatie juist een mogelijkheid bieden om een hoge netto schuldquote te verlagen. Bij de belastingcapaciteit worden de belastingen per gemeente vergeleken met het landelijk gemiddelde. Kleiner dan 100% betekent dat de gemeente nog beneden het landelijk gemiddelde zit.
2027 | 2028 | 2029 | 2030 | |
A. Eigen vermogen (incl. begrotingssaldo) | 118.600 | 110.883 | 99.583 | 84.272 |
B. Totaal passiva | 748.411 | 782.336 | 833.937 | 890.643 |
Solvabiliteit (A/B) | 15,8% | 14,2% | 11,9% | 9,5% |
Bekend is dat Purmerend vanuit het verleden wordt gekenmerkt door een relatief zwakke schuld/eigen vermogenspositie, maar verder financieel gezond is. In oktober 2020 heeft de raad ingestemd (besluit 1529289) met het verbeteren van de solvabiliteit van Purmerend de komende jaren met als streven een solvabiliteit van 20%. Dit met name om mee te groeien met de groei van de schuld vanwege het grote investeringsprogramma. De solvabiliteitsratio is het eigen vermogen als percentage van het balanstotaal. In de jaarrekening 2025 was het solvabiliteitspercentage 20,4% en is de grens van 20% gehandhaafd. Door de investeringen in de begroting 2027 wordt een forse schuldtoename verwacht. Door de groei van de gemeente en het daarbij gestelde ambitieniveau daalt het solvabiliteitspercentage vanaf 2027 weer onder het gestelde niveau van 20%. Dit hangt mede samen met de dubbele investeringsopgave waarvoor Purmerend staat: het vervangen en vernieuwen van bestaande wijken en voorzieningen én het realiseren van extra voorzieningen voor de groeiende bevolking. In de huidige ramingen wordt uitgegaan van begrotingstekorten in 2028, 2029 en 2030, hetgeen direct doorwerkt op de solvabiliteit. Verwacht wordt dat het nieuwe college aanvullende keuzes zal maken, waardoor het tekort in deze jaren afneemt en de daling van de solvabiliteit naar verwachting minder sterk zal zijn dan nu geraamd.
We zien de omvang van de schuld meer toenemen dan de groei van het eigen vermogen dat direct doorwerkt op de solvabiliteitsquote als de netto schuldquote. Tegelijkertijd leert de ervaring dat investeringen vaak vertraging oplopen, waardoor de daling van de solvabiliteit minder snel verloopt dan begroot. Daarnaast verbetert de liquiditeitspositie doorgaans door de ontvangst van specifieke uitkeringen en subsidies.
De vanaf 2017 verplicht op te nemen beleidsindicatoren komen voor de programma's van de bron waarstaatjegemeente.nl. Voor het onderdeel bestuur en organisatie zijn ook 5 indicatoren ontwikkelt die echter door de gemeente uit de eigen gegevens of de eigen begroting overgenomen moeten worden omdat er geen landelijke bron beschikbaar is. Omdat het gaat om indicatoren betreffende de organisatie nemen wij ze op bij het onderdeel overhead.
Indicator | 2027 |
|---|---|
Formatie (fte per 1.000 inwoners) | 9,77 |
Bezetting (fte per 1.000 inwoners) | 9,77 |
Apparaatskosten (kosten per inwoner) | 1.059 |
Externe inhuur als % van (loonsom + kst inhuur) | 3,59% |
Overhead (percentage van de totale lasten) | 8,20% |