De algemene dekkingsmiddelen zijn de baten en lasten die niet specifiek tot een programma behoren. De algemene dekkingsmiddelen betreffen vooral de OZB en de uitkeringen uit het gemeentefonds. Deze middelen kennen wettelijk geen vooraf bepaald bestedingsdoel en zijn daarmee vrij aanwendbaar. In de praktijk worden de middelen die voor een bepaald doel aan het gemeentefonds worden toegevoegd of onttrokken wel gekoppeld aan de betreffende programma's.
De niet vrij aanwendbare heffingen, zoals het rioolrecht, de afvalstoffenheffing en de ontvangsten van specifieke uitkeringen, zijn als baten opgenomen in de betreffende programma’s.
In dit onderdeel wordt het volgende onderscheid gehanteerd:
Lokale belastingen
Stelposten en onvoorziene uitgaven
De uitkering uit het gemeentefonds
Renteopbrengsten
De baten en lasten die verbonden zijn aan financiële deelnemingen
Stelpost voor incidentele baten en lasten
Om de jeugdzorg toekomstbestendig en financieel beheersbaar te maken, zetten het Rijk en gemeenten de uitvoering van de Hervormingsagenda Jeugd voort. Voor de periode 2025-2027 zijn aanvullende financiële afspraken gemaakt, waarbij het Rijk extra middelen beschikbaar stelt voor de jeugdzorg en gemeenten. Voor de periode vanaf 2028 rekent het kabinet echter op aanzienlijke besparingen door maatregelen uit de Hervormingsagenda en aanvullende beheersmaatregelen, zoals het invoeren van een eigen bijdrage, het sturen op de duur van zorgtrajecten en andere stelselwijzigingen. Het kabinet heeft de verwachte financiële effecten hiervan reeds verwerkt in de meerjarige rijksbegroting.
Over de haalbaarheid van deze besparingen bestaat nog altijd onzekerheid. Daarom is afgesproken dat de Deskundigencommissie Hervormingsagenda Jeugd onder voorzitterschap van Tamara van Ark begin 2027 een zwaarwegend en maatgevend advies uitbrengt over de uitvoerbaarheid van de maatregelen en de verhouding tussen de kosten van de jeugdzorg en de hiervoor beschikbare middelen.
De VNG wijst erop dat gemeenten nog steeds te maken hebben met aanzienlijke financiële onzekerheden als gevolg van de vanaf 2028 ingeboekte besparingen op de jeugdzorg. In het begrotingsadvies 2027-2030 adviseert de VNG gemeenten daarom om voor de jaren vanaf 2028 uit te gaan van realistische kostenramingen en de financiële effecten van de voorgenomen rijksmaatregelen budgettair neutraal te verwerken via stelposten. Hiermee wordt voorkomen dat gemeenten vooruitlopend op de uitkomsten van de deskundigencommissie en de verdere uitwerking van de maatregelen al structurele bezuinigingen moeten doorvoeren op andere beleidsterreinen.
In lijn met dit advies is het financiële arrangement voor de jeugdzorg vanaf 2028 budgettair neutraal verwerkt in de begroting door middel van een drietal stelposten (Voor Purmerend circa € 4,1 miljoen, zie raadsbrief 1615501). Aangezien de uitwerking van de maatregelen, inclusief de benodigde wet- en regelgeving, grotendeels onder verantwoordelijkheid van het Rijk valt en de uiteindelijke financiële effecten nog onzeker zijn, worden de geraamde voordelen vooralsnog volledig gecompenseerd via deze stelposten. De uitkomsten van de deskundigencommissie Van Ark en eventuele nadere afspraken tussen Rijk en gemeenten zullen worden betrokken bij toekomstige begrotingsactualisaties.
Voor de Wmo zijn in de rijksbegroting vanaf 2028 en 2029 verschillende maatregelen opgenomen die moeten leiden tot lagere gemeentelijke uitgaven. Een belangrijke maatregel betreft de invoering van een inkomens- en vermogensafhankelijke eigen bijdrage (IVB) ter vervanging van het huidige abonnementstarief. Het kabinet verwacht dat hierdoor de vraag naar Wmo-voorzieningen afneemt en dat gemeenten een hogere eigen bijdrage van gebruikers ontvangen. De invoering van deze maatregel is inmiddels uitgesteld en staat momenteel gepland voor 1 januari 2028.
Daarnaast heeft het kabinet het voornemen uitgesproken om de huishoudelijke hulp deels uit de Wmo te halen en hiervoor een afzonderlijk vangnet in te richten. Vooruitlopend op de nadere uitwerking van deze maatregel is vanaf 2029 reeds een structurele korting van circa € 1 miljard op het gemeentefonds verwerkt. Over de precieze vormgeving van deze maatregel, de doelgroep die aanspraak kan blijven maken op ondersteuning en de financiële consequenties voor gemeenten bestaat nog aanzienlijke onzekerheid. De VNG heeft daarom aangegeven deze uitname voorbarig te vinden en vraagtekens geplaatst bij de hoogte van de ingeboekte besparing.
De VNG adviseert gemeenten in het begrotingsadvies 2027-2030 om de financiële effecten van zowel de inkomensafhankelijke eigen bijdrage als de voorgenomen hervorming van de huishoudelijke hulp vanaf respectievelijk 2028 en 2029 budgettair neutraal te verwerken via een stelpost (voor Purmerend € 5,3 miljoen, zie raadsbrief 948188). Hiermee wordt voorkomen dat gemeenten vooruitlopend op nog uit te werken wetgeving en onzekere besparingen reeds structurele bezuinigingen moeten doorvoeren. De verdere uitwerking van deze maatregelen en eventuele aanvullende afspraken tussen Rijk en gemeenten worden betrokken bij toekomstige begrotingsactualisaties.
Sinds de invoering van het nieuwe verdeelmodel van het gemeentefonds per 1 januari 2023 groeien gemeenten via een ingroeipad stapsgewijs toe naar de beoogde verdeling van de middelen. In de afgelopen jaren is onderzocht op welke onderdelen het verdeelmodel verder kan worden verbeterd, onder meer voor de clusters Jeugd en Wmo. Zowel de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) als de VNG hebben echter geconcludeerd dat de voorgestelde wijzigingen op dit moment onvoldoende zijn onderbouwd en dat de effecten voor gemeenten nog te onzeker zijn.
Het kabinet heeft daarom besloten het huidige ingroeipad voor de jaren 2027 en 2028 te bevriezen. Een eventuele volgende stap in de herverdeling van het gemeentefonds wordt pas voorzien per 1 januari 2029. In de tussenliggende periode vindt nader onderzoek plaats naar de verdeelsystematiek en de wijze waarop deze beter kan aansluiten bij de feitelijke kostenstructuur van gemeenten. Ook wordt gekeken naar de gevolgen van ontwikkelingen binnen onder meer de Jeugdwet en de Wmo voor de toekomstige verdeling van het gemeentefonds.
Op dit moment bestaat daardoor nog onvoldoende duidelijkheid over de financiële gevolgen van een eventuele herijking voor individuele gemeenten. De VNG heeft het kabinet daarom opgeroepen eerst duidelijkheid te geven over de verdere aanpak, de inhoudelijke uitgangspunten en het vervolgproces voordat nieuwe stappen in de herverdeling worden gezet. Gezien deze onzekerheid is in de meerjarenraming vanaf 2029 rekening gehouden met aanvullende effecten van de voorgenomen herijking van het gemeentefonds door het opnemen van een stelpost van € 1,3 miljoen. Eventuele financiële gevolgen worden verwerkt zodra meer duidelijkheid bestaat over de wijze waarop het kabinet de verdere herziening van de verdeling vormgeeft en welke effecten dit heeft voor individuele gemeenten.
Het kabinet zet de ingezette lijn voort om het aantal specifieke uitkeringen (SPUK's) terug te dringen en de beleids- en bestedingsvrijheid van gemeenten te vergroten. Nieuwe specifieke uitkeringen kunnen uitsluitend na een kabinetsbesluit worden ingesteld en worden getoetst aan een landelijk afwegingskader. Tegelijkertijd blijkt dat veel bestaande SPUK's vanwege beleidsmatige en juridische redenen niet eenvoudig kunnen worden omgezet naar algemene middelen. Hierdoor verloopt de vermindering van het aantal SPUK's langzamer dan aanvankelijk beoogd.
Met het wetsvoorstel Herziening Uitkeringsstelsel Financiële Verhoudingen is een nieuwe uitkeringsvorm voorgesteld: de Bijzondere Fondsuitkering (BFU). Deze uitkering maakt onderdeel uit van het gemeentefonds en moet op termijn een alternatief bieden voor specifieke uitkeringen. Hiermee wordt beoogd de administratieve lasten te verminderen en tegelijkertijd voldoende mogelijkheden te behouden om de voortgang op maatschappelijke opgaven te monitoren. De financiële en organisatorische gevolgen voor individuele gemeenten zijn op dit moment nog beperkt inzichtelijk. Daarom is in deze begroting nog geen rekening gehouden met eventuele toekomstige effecten van de verdere afbouw van specifieke uitkeringen of de invoering van de Bijzondere Fondsuitkering. Deze worden verwerkt zodra hierover meer duidelijkheid bestaat.
SVP heeft momenteel ruim 29.765 aansluitingen en groeit jaarlijks als gevolg van zowel de nieuwbouw-activiteiten in Purmerend en omstreken als van het gasvrij maken van bestaande woningen. Om in de warmtevraag op een duurzame en stabiele wijze te blijven voorzien, werkt SVP verder aan haar bronnenstrategie. Daarbij wordt onder andere door SVP samengewerkt met andere partijen ten einde de komende jaren toe te werken naar ontwikkeling, realisatie en ingebruikname van een aardwarmte (geothermie) bron. De stabilisatie en optimalisatie van de huidige productie assets alsook de doorontwikkeling van nieuwe duurzame bronnen is van groot belang om daarmee de afhankelijkheid van aardgas af te bouwen. Dit is zowel belangrijk vanuit het oogpunt van verduurzaming als ter beperking van de invloed van de volatiliteit van de gasmarkt op het bedrijf. Door verdere brondiversificatie neemt het risicoprofiel van SVP af en kan gestaag gewerkt worden aan de doelstelling van een CO2 neutrale warmtelevering in 2050.
Er wordt vastgehouden aan de strategie om SVP te ontwikkelen tot een modern duurzaam warmtebedrijf en motor van de Purmerendse energietransitie. Daarnaast willen we kansen benutten door innovatie en uitbreiding om het financieel resultaat van SVP de komende jaren te verbeteren met het oog op de grote opgaven van de toekomst.
Als gevolg van het begrote resultaat 2025 en de meerjarenverwachting begin 2025 (raadsmemo: 1607653) is er bij de besluitvorming over de Voorjaarsnota 2025 afgezien van een dividenduitkering ten aanzien van de jaren 2026 tot en met 2028 (resultaten SVP over 2025 tot en met 2027). Het wederom uitstellen van kostengeoriënteerde tarieven betekent dat er bij SVP (vooralsnog) ook voor 2028 en 2029 geen winsten worden verwacht (raadsmemo: 894984).Gezien de uiteenlopende ontwikkelingen in de warmtesector en het nog vast te stellen dividendbeleid wordt voorgesteld om bij de behandeling van de Voorjaarsnota 2028, op basis van het Operationeel Plan 2027 en de meerjarenprognose 2026-2036, met de nieuwe gemeenteraad in gesprek te gaan over de wijze waarop wordt omgegaan met het begrote dividend voor de jaren 2029 en 2030.
Binnen het met de raad afgesproken leningplafond (besluit 1587205) van € 65 miljoen voor de jaren 2023-2026 is tot op heden € 50 miljoen aan garantstellingen verstrekt. Hierdoor resteert nog een leningplafond van € 15 miljoen. In de meerjarenraming van SVP is de verwachting opgenomen dat SVP in 2026 geen aanvullende nieuwe leningen zal moeten aantrekken. In totaal is daarmee € 50 miljoen aan bancaire leningen onder het leningplafond 2023 tot aan medio 2026 aangetrokken. Het door de gemeenteraad afgegeven maximale borgstellingsplafond ten aanzien van de langlopende geldleningen bedraagt maximaal € 123 miljoen. De gemeente staat daarnaast borg voor het rekening-courant krediet van SVP dat € 15 miljoen bedraagt. Daarmee komt de totale borgstelling op maximaal € 138 miljoen uit.
Bedragen x € 1.000
PGR11 | Rekening 2025 | Primitieve begroting 2026 | Begroting 2026 bijgesteld | Begroting 2027 | Begroting 2028 | Begroting 2029 | Begroting 2030 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
Lasten | -688 | -2.032 | 10.061 | 3.418 | 4.095 | 6.253 | 8.779 |
Baten | -259.608 | -254.004 | -263.746 | -279.852 | -279.243 | -280.259 | -289.712 |
Saldo | -260.296 | -256.036 | -253.685 | -276.434 | -275.149 | -274.006 | -280.933 |
1 Lokale heffingen | Som van Rekening 2025 | Som van Primitieve begroting 2026 | Som van Begroting 2026 bijgesteld | Begroting 2027 | Begroting 2028 | Begroting 2029 | Som van Begroting 2030 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
Lasten | 68 | 64 | 64 | 64 | 65 | 65 | 65 |
Baten | -22.184 | -23.064 | -25.625 | -29.664 | -30.396 | -31.136 | -31.867 |
Saldo | -22.116 | -23.000 | -25.561 | -29.600 | -30.331 | -31.072 | -31.802 |
2 Nog te bestemmen middelen | Som van Rekening 2025 | Som van Primitieve begroting 2026 | Som van Begroting 2026 bijgesteld | Som van Begroting 2027 | Som van Begroting 2028 | Som van Begroting 2029 | Som van Begroting 2030 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
Lasten | -3.335 | 7.646 | 2.318 | 3.075 | 4.303 | 5.244 | |
Saldo | -3.335 | 7.646 | 2.318 | 3.075 | 4.303 | 5.244 | |
3 Gemeentefonds | Som van Rekening 2025 | Som van Primitieve begroting 2026 | Som van Begroting 2026 bijgesteld | Som van Begroting 2027 | Som van Begroting 2028 | Som van Begroting 2029 | Som van Begroting 2030 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
Baten | -232.931 | -227.828 | -236.030 | -246.525 | -246.781 | -247.134 | -255.932 |
Saldo | -232.931 | -227.828 | -236.030 | -246.525 | -246.781 | -247.134 | -255.932 |
4 Eigen financieringsmiddelen | Som van Rekening 2025 | Som van Primitieve begroting 2026 | Som van Begroting 2026 bijgesteld | Som van Begroting 2027 | Som van Begroting 2028 | Som van Begroting 2029 | Som van Begroting 2030 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
Lasten | -1.399 | 500 | 1.613 | -53 | 645 | 1.186 | 2.771 |
Baten | -660 | -477 | -477 | -480 | -590 | -589 | -588 |
Saldo | -2.059 | 23 | 1.136 | -532 | 54 | 597 | 2.183 |
5 Deelnemingen | Som van Rekening 2025 | Som van Primitieve begroting 2026 | Som van Begroting 2026 bijgesteld | Som van Begroting 2027 | Som van Begroting 2028 | Som van Begroting 2029 | Som van Begroting 2030 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
Lasten | 563 | 728 | 728 | 699 | 699 | 699 | 699 |
Baten | -3.834 | -2.585 | -1.565 | -3.183 | -1.476 | -1.400 | -1.325 |
Saldo | -3.271 | -1.856 | -836 | -2.484 | -777 | -700 | -625 |
6 Incidentele baten en lasten | Som van Rekening 2025 | Som van Primitieve begroting 2026 | Som van Begroting 2026 bijgesteld | Som van Begroting 2027 | Som van Begroting 2028 | Som van Begroting 2029 | Som van Begroting 2030 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
Lasten | 81 | 10 | 10 | 389 | -389 | ||
Baten | -50 | -50 | |||||
Saldo | 81 | -40 | -40 | 389 | -389 |
In dit programma zijn de lasten in de begroting 2027 € 6.643.000 lager en de baten € 16.106.000 hoger dan in de bijgestelde begroting 2026. Per saldo verbetert het resultaat hierdoor met € 22.749.000. Hieronder wordt dit verder toegelicht
Onder dit product vallen de onroerende zaak- en roerende ruimtebelastingen, de hondenbelasting, de precariobelasting en de toeristenbelasting. De ontwikkeling in de baten wordt veroorzaakt door de jaarlijkse aanpassing van de tarieven en de toename van areaal dat in de heffing wordt betrokken. Dit resulteert in een stijging van de baten ten opzichte van 2026 van € 4 miljoen. Voor 2027 geldt dat de indexering 2,4% bedraagt (CBS/CPI januari 2026) voor de (on-)roerendezaakbelastingen (OZB/RZB). In de meerjarenraming wordt voor de jaren na 2026 uitgegaan van 1,50%. Op basis van de bouwmonitor wordt er rekening gehouden met een toename van het aantal woningen van 1,04%. Aan de inkomstenkant is rekening gehouden met de besluitvorming uit de begroting 2026 (raadsbesluit 852392: onderdelen toekomstscenario en dekkingsplan) om de OZB woningen en niet-woningen te verhogen in 2027. De honden-, toeristen, reclame- en precariobelasting zijn voor 2027 verhoogd met 2,4% als autonome ontwikkeling. Deze indexering is de reguliere indexering om de inflatie te corrigeren. De stijging aan de lastenkant wordt veroorzaakt door een verhoging op de voorziening belastingdebiteuren in verband met oninbaarheid.
In de begroting zijn centrale stelposten opgenomen om rekening te houden met financiële ontwikkelingen waarvan de omvang of uitwerking nog onzeker is. Deze stelposten dienen als financiële buffer en bieden ruimte om in te spelen op toekomstige risico’s, beleidsmatige keuzes en externe ontwikkelingen. Op deze wijze wordt flexibiliteit gecreëerd binnen de begroting, terwijl tegelijkertijd een realistisch financieel beeld behouden blijft. Hieronder worden de verschillende stelposten nader toegelicht.
In de Meicirculaire 2026 is de raming van het prijsdeel van het bruto binnenlands product (bbp) vanaf 2026 naar boven bijgesteld als gevolg van hogere inflatieverwachtingen. Conform de gebruikelijke systematiek heeft het Rijk bij de actualisatie van het accres in de Voorjaarsnota 2025 de meest recente economische inzichten uit het Centraal Economisch Plan (CEP) verwerkt. De daaruit voortvloeiende mutaties in het prijsdeel zijn vanaf 2026 opgenomen in de stelpost voor loon- en prijsontwikkelingen (LPO), zodat de effecten van toenemende prijsdruk binnen de begroting kunnen worden opgevangen. Voor de materiële uitgaven wordt aangesloten bij de prijsontwikkeling van de materiële overheidsconsumptie (IMOC), waarvoor de bestaande LPO-stelpost overeenkomstig is geactualiseerd. Daarnaast is voor 2027 een budgettaire reservering van € 2,3 miljoen opgenomen ter dekking van prijsstijgingen, volumegroei binnen de Wmo en de verwachte stijging van cao-lonen.
In de begroting is vanaf 2028 een stelpost van € 0, 4 miljoen opgenomen voor verwachte lagere kapitaallasten. Deze lagere lasten zijn het gevolg van vertragingen in de uitvoering van investeringsprojecten, waardoor de ingebruikname van investeringen later plaatsvindt dan oorspronkelijk voorzien. Als gevolg hiervan starten de bijbehorende afschrijvings- en rentelasten op een later moment, wat leidt tot een tijdelijke verlaging van de kapitaallasten.
Sinds de begroting 2023 is jaarlijks een budget van € 925.000 opgenomen voor de algemene uitkeringInvesteringsagenda. Met deze structurele reservering kan jaarlijks circa € 20 miljoen aan krediet beschikbaar worden gesteld voor uitbreidingsinvesteringen die voortvloeien uit de groei van de gemeente. Om deze investeringsruimte ook in de komende jaren te waarborgen, is voor 2030 opnieuw € 925.000 aan de begroting toegevoegd. Hiermee bedraagt de beschikbare ruimte voor de Investeringsagenda € 0,9 miljoen in 2028, € 1,5 miljoen in 2029 en € 2,5 miljoen in 2030. De uitwerking van de investeringsagenda is niet opgenomen in de primitieve begroting en maakt onderdeel uit van de 1e begrotingswijziging 2027.
De uitkering uit het gemeentefonds is gebaseerd op de meicirculaire 2026. De opbrengst uit het gemeentefonds stijgt met circa € 10,5 miljoen naar ruim € 246,5 miljoen. De uitkering uit het gemeentefonds valt uiteen in 3 onderdelen:
De algemene uitkering stijgt met € 10,3 miljoen tot € 223,1 miljoen. Deze toename wordt veroorzaakt door wijzigingen in de uitkeringsfactor, taakmutaties en ontwikkelingen binnen de uitkeringsbasis. De hogere uitkeringsfactor hangt voornamelijk samen met de ontwikkeling van het accres. Binnen de taakmutaties zijn zeven wijzigingen verwerkt, waarvan het uitstel van de vervanging van het abonnementstarief in de Wmo financieel het meest relevant is. Daarnaast is de uitkeringsbasis geactualiseerd op basis van de meest recente ontwikkelingen in diverse verdeelmaatstaven, waaronder het aantal inwoners, lage inkomens, bijstandsontvangers, WOZ-waarden (inclusief rekentarieven) en woonruimten.
Om de jeugdzorg toekomstbestendig en financieel beheersbaar te houden, wordt een nieuw financieel arrangement ingevoerd. Dit arrangement omvat onder meer de invoering van een eigen bijdrage, afspraken met de sector over een betere sturing op de duur van zorgtrajecten en de indexatie van de geraamde opbrengsten uit de Hervormingsagenda Jeugd. Aangezien de nadere uitwerking en de benodigde wetgeving naar verwachting voor rekening en risico van het Rijk komen, is dit arrangement budgettair neutraal verwerkt. Hiervoor zijn vanaf 2028 drie stelposten opgenomen met een gezamenlijke omvang van € 4,1 miljoen.
Daarnaast is binnen het gemeentefonds een stelpost verwerkt voor de toekomstige onderhoudsagenda van het verdeelstelsel. Dit leidt vanaf 2029 tot een lagere bijdrage van € 1,3 miljoen.Ook staat er een structurele stelpost voor de ontwikkeling van het BCF-plafond, die resulteert in een hogere bijdrage van € 1,0 miljoen.
De middelen voor deze integratie-uitkeringen stijgen met bijna € 0,3 miljoen naar bijna € 14,2 miljoen. Dit betreft de volgende onderdelen:
Beschermd wonen, structureel bijna € 7 miljoen;
Participatie onderdelen (Wsw budget oude stijl inclusief beschut werk), structureel € 7,2 miljoen in 2027 en aflopend naar € 6,5 miljoen in 2030.
Het nieuwe verdeelmodel voor beschermd wonen en het bijbehorende woonplaatsbeginsel worden niet in 2027 ingevoerd.
De overige integratie- en decentralisatie-uitkeringen nemen af met € 0,1 miljoen tot ruim € 9,2 miljoen. Binnen deze uitkeringen zijn onder meer middelen opgenomen voor de capaciteit van decentrale overheden voor klimaat- en energiebeleid (CDOKE), de aanpak van kinderarmoede en re-integratiedienstverlening gericht op jongeren.
Vanaf 2028 is in de begroting rekening gehouden met een verwachte rijksbijdrage voor de voortzetting van de CDOKE-middelen. Deze raming is gebaseerd op de basisfinanciering voor 2026, conform het begrotingsadvies van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). De wijze waarop deze middelen vanaf 2028 beschikbaar worden gesteld, is echter nog niet bekend.
Voor een verdere toelichting op de meicirculaire 2026 verwijzen wij u naar de raadsbrief van 16 juni 2026 (948188).
Voor de verwerking van de rentelasten en -baten zijn de bepalingen en richtlijnen van de notitie rente van de commissie BBV van toepassing. Alle rentelasten en -baten worden in eerste instantie verantwoord op het product eigen financieringsmiddelen (taakveld treasury). Het resultaat op het taakveld treasury betreft het verschil tussen de aan de taakvelden toegerekende rente en de werkelijk betaalde (en ontvangen) rente. In de gemeentebegroting wordt gewerkt met een vast omslagpercentage voor de toerekening van rente aan de kapitaallasten. Voor 2027 bedraagt het renteomslagpercentage, net als in 2026, 1,75%. Dit betekent dat de eerder verwachte stijging van het renteomslagpercentage zich in deze begroting niet voordoet. Hoewel de marktrente oploopt, leidt dit in 2027 nog niet tot een aanpassing van het omslagpercentage. Dit hangt samen met de fasering van investeringen en grondexploitaties. Een deel van de geplande investeringen is in de tijd naar achter geschoven, waardoor de bijbehorende financieringsbehoefte en rentelasten later tot uitdrukking komen. Hierdoor blijft de verhouding tussen de boekwaarde van de activa en de (tegen hogere rente) aan te trekken financiering in 2027 nog stabiel. Voor de jaren daarna wordt wel een stijging van het renteomslagpercentage verwacht, zodra deze investeringen daadwerkelijk tot uitvoering komen en de financieringsbehoefte toeneemt. Voor de komende jaren blijft de ontwikkeling van het renteomslagpercentage afhankelijk van de renteontwikkeling op de kapitaalmarkt en de omvang en timing van investeringen en grondexploitaties. Bij een verdere toename van de externe financiering of stijgende rente kan het omslagpercentage in de toekomst alsnog worden bijgesteld.
De stijging van de baten met bijna € 1,6 miljoen in 2027 wordt voornamelijk veroorzaakt door een hogere geraamde winstuitkering van De Beemster Compagnie.
Het MJOP 2026 is geactualiseerd op basis van de meest recente inzichten in het planmatig onderhoud. Hieruit blijkt dat in 2027 een tekort ontstaat binnen de onderhoudsvoorziening. Conform de BBV-uitgangspunten wordt in 2027 een aanvullende dotatie van circa € 0,39 miljoen aan de voorziening gedaan, zijnde het jaar waarin het tekort ontstaat. Hiermee blijft de voorziening in overeenstemming met het geactualiseerde MJOP en wordt niet meer gereserveerd dan noodzakelijk.
De aanvullende dotatie leidt in 2027 tot een eenmalige last ten laste van de exploitatie en heeft daarmee een negatief effect op het begrotingssaldo. In 2028 vindt een onttrekking aan de voorziening plaats voor de uitvoering van het onderhoud. Deze onttrekking wordt als bate verantwoord en heeft daarmee een positief effect op het begrotingssaldo. Hierdoor sluit de voorziening gedurende de gehele planperiode aan bij de verwachte onderhoudsuitgaven en komt deze aan het einde van de planperiode weer uit op nihil.